
Reint Grave (1904-1943)
Raadslid in Bellingwolde
Het in 2025 uitgekomen boek Ik ben zo weer terug waarin alle 67 omgekomen verzetsmensen uit de gemeente Oldambt een gezicht kregen, roept bij nabestaanden diverse herinneringen op. De een komt met essentiële aanvullingen, de ander diept nog een familielid op die ook bezweken is aan de naziterreur.
Emiel Singor, kleinzoon van Reint Grave, dook in de treurige geschiedenis van zijn opa, zijn oma en zijn moeder. Grave, wiens geboorteplaats Winschoten is volgens het trouwboekje, kwam om in Dachau, maar op zijn verzetskaart staat Bellingwolde als geboorteplaats. Vandaar dat hij niet als verzetsman was opgenomen in het boek. Op deze plek bewijzen wij deze verzetsman die zijn leven gaf voor ons leven in vrede en veiligheid, alsnog de eer.
Door Cees Stolk, maart 2026
'Het oorlogstrauma zit diep in onze familie'
Tragiek tekent de familie. De moord op verzetsman Reint Grave laat diepe sporen na. Tot op de dag van vandaag. Als haar man een half jaar na de bevrijding niet terugkeert uit concentratiekamp Dachau, slaat zijn vrouw Gartje Bijl de hand aan zichzelf, 39 jaar oud. Enige dochter Marchien, dan 18 jaar, vindt haar bij het opstaan, hangend aan een touw in de schuur.
Die aanblik zet haar hele leven op z’n kop en zal haar blijvend achtervolgen. Ze ontvlucht het huis, komt er nooit meer terug. Woning H 41 aan het water in Ulsda zal ze nimmer meer willen zien, noch van binnen noch van buiten. Haar familie geeft alle huisraad weg aan een opkoper. Zo denkt ze een streep te zetten onder een triest verleden maar dat is slechts schijn.
Want, zo zegt kleinzoon Emiel Singor (1967): “Het oorlogstrauma zit diep in onze familie. De aanblik van haar moeder moet traumatisch geweest zijn voor haar.” De wonden van Marchien zullen niet helen. De littekens blijven zichtbaar, het verdriet slijt amper, zo blijkt als hij het droeve spoor terug volgt van zijn familie die de dreun van een oorlog niet te boven komt.
Na de dood van zijn moeder Marchien Singor-Grave (1927-2018) duikt de zoon in haar verleden en diept documenten op die een beeld geven van een getroebleerd leven. Bij haar uitvaart op 13 februari 2018 vertelt hij uitgebreid over haar door de oorlog getekend bestaan.
Voor de oorlog uitbreekt in 1940 leidt zijn moeder een vrij onbezorgd leven in een huisje aan het water in (Klein) Ulsda, dorp van scheepsjagers. Dat beroep gaat hier als vanzelfsprekend over van vader op zoon. In ‘Hutten’ zoals Ulsda in de vroege volksmond heette, wemelt het begin 20ste eeuw van de scheepsjagers die volop werk hebben als bij herfstdag zeker 100 schepen over de Westerwoldse Aa versleept moeten worden.
Het leven van Reint Grave
Reint Grave is één van die scheepsjagers, net als ook zijn vader en diens vader. Reint is echter meer dan dat, hij is een manusje-van-alles. Hij handelt, hij smokkelt, drijft met zijn vrouw een winkeltje in allerhande koopwaar en hij is lid van de gemeenteraad van Bellingwolde voor de communistische partij CPN. Uit dien hoofde is hij begaan met het lot van de armen in de gemeente en schrijft hij in februari 1940 een brief aan het college van Burgemeester & Wethouders, waarin hij verzoekt om ruimere steun voor de werklozen. Thuis in Ulsda hebben de Grave’s een mini Voedselbank en delen zij eten uit aan nooddruftigen.
Als de oorlog uitbreekt, sluit CPN’er Grave zich als vanzelfsprekend aan bij de verzetsgroep De Rode Hulp en helpt hij (joodse) vluchtelingen de grens over bij Nieuweschans en Bellingwolde. Zijn dochter Marchien vindt het maar wat spannend als vreemden over de vloer komen en een nachtje op zolder logeren eer ze de volgende dag weer vertrekken naar elders in Nederland, op zoek naar een veilig onderkomen.
Een onbekommerd leven, zo lijkt het, een warm gezin zo met z’n drietjes tot het noodlot toeslaat en haar vader op 1 juni 1941 gearresteerd wordt en nimmer weerom komt. Na de Februaristaking in 1941 pakken de nazi’s massaal communisten op en transporteren ze naar concentratiekampen. Zo ook Reint Grave.
Reint gaat eerst naar de gevangenis in Groningen en daarna naar gevangenis in Scheveningen. Vervolgens gaat hij op transport naar Durchgangslager Amersfoort en concentratiekampen als Buchenwald en Groß-Rosen, waarna hij uiteindelijk belandt in Dachau waar hij op 22 april 1943 door uitputting sterft. ‘Pleuritis’, zo staat op zijn Sterbeurkunde.
Brieven uit Groß-Rosen en Dachau
Tijdens het korte verblijf in Groß-Rosen van 27 april tot begin september 1942 schrijft hij op 14 juni in een brief aan huis dat hij gelukkig nog gezond is en informeert of zijn dochter goede schoolresultaten boekt. Twee weken later vraagt hij aan zijn vrouw Gartje terug te schrijven. In het Duits, zo onderstreept hij die woorden. Op 12 juli feliciteert hij alsnog zijn dochter Marchien met haar 15e verjaardag die op 30 juni haar jaardag viert. Hij hoopt dat zij een fijne dag heeft gehad. Ook in deze brief is hij volgens eigen zeggen nog ‘gesund’.
Op 6 september 1942 verstuurt hij (zij het een korte) laatste brief naar huis uit dit Nacht und Nebel kamp. Hij vertrekt dan naar Dachau. In dit zuid-Duitse strafkamp nabij München ontstaat een briefwisseling tussen hem en zijn vrouw.
Gartje schrijft op 16 februari 1943 dat zij en haar dochter zich ondanks de kou goed door de winter heen hebben geslagen. Zij hoopt dat haar man ook in de buitenlucht kan werken en niet de hele dag in een cel hoeft door te brengen. Over dochter Marchien schrijft ze: “Ze leert goed zodat ik niet vrees dat ze zal zakken.”
Geld voor eten
Gartje vermeldt aan het eind van haar brief dat ze 11 gulden heeft overgemaakt naar Dachau zodat hij daar wat eten kan kopen. “Ja jongen, je moet niet denken dat wij de moed laten varen, hoor. We hebben immers meer tegenslagen meegemaakt en wanneer we toen ook de moed hadden laten zakken waar zouden we dan gebleven zijn.” En passant vermeldt ze dat kennissen helemaal op de schaats van Groningen naar Ulsda zijn gereden. Ze eindigt met “vele zoenen van ons.”
Reint schrijft op 14 maart terug. Het is zijn laatste brief, een maand voor zijn dood. In het Duits informeert hij hoe het met zijn dochter op school gaat en vraagt zijn vrouw om wat schone kleren. Het handschrift is echter niet het zijne; wellicht dicteert hij aan iemand anders wat hij naar huis zal schrijven. Blijkens de brief verheugt hij zich dat het over enkele maanden weer mei zal zijn. Achter de zin staat een uitroepteken. Hij mag eens per maand wat levensmiddelen ontvangen en vraagt om wat uien en gedroogde groente.
‘We hopen je gauw weer te zien’
De brief telt drie kantjes en eindigt met: “Ein Kuß für du Gartje und Marchien und ein fester Handdrück von dein liebhabende Mann und Vater.” De handtekening – Reint – is wel van hem. Kennelijk is hij al zo uitgeput dat hij geen pen meer kan vasthouden. Het briefhoofd vermeldt dat hij in Dachau gevangene numero 36227 is en opgesloten zit in Block 25.
In mei 1943 stuurt Gartje nog een brief van vier kantjes naar haar man in Dachau. Zij meldt dat de scholen gesloten zijn, maar dat Marchien thuis verder leert. Ze schrijft over ditjes en datjes en beurt hem op. Zorgen maakt ze zich om de tuin of die op tijd gereed komt want het is een lange winter geweest. Met Reint’s moeder gaat het ook nog goed. “We hopen allen je gauw weer terug te zien.”
De brief eindigt met een persoonlijke noot van zijn dan 16 jaar oude dochter Marchien: “Ik heb de hele winter op uw schaatsen gereden. En ze gingen best hoor, nog wel beter dan mijn eigen dunkt me. Wedstrijden hebben we niet veel gehad, van school tenminste helemaal niet.” Ze eindigt met een “dikke kus. “
Die brief zal Reint nimmer onder ogen krijgen. Hij overlijdt op donderdag 22 april 1943 om 14.20 uur.
Gartje kan zijn dood niet verwerken
De dood van haar man kan Gartje Bijl (1906-1945) niet verwerken. Zij maakt op 18 november 1945 een einde aan haar leven. Voor haar enige dochter, dan 18 jaar, een onbeschrijfelijk verlies. Ze is gek op haar ouders. Met haar vader houdt ze ’s winters een wedstrijdje wie het hardst kan schaatsen. Zij wint vaak en glorieert. Met haar moeder is ze hecht, een zachtaardige vrouw, die haar als kind vertroetelt.
Die twee klappen: de moord op haar vader en de zelfmoord van haar moeder zal Emiel’s moeder nooit te boven komen, zo ervaart hij aan den lijve. “Mijn moeder verzonk in haar eigen verdriet.” Verdriet over een onverwerkt trauma dat lang naijlt. De moord op verzetsman Reint Grave zal de hele familie door elkaar schudden. “Mijn moeder wentelde zich in haar verdriet, was destructief. Gedachten om een eind aan haar leven te maken drongen zich aan haar op, voordat mijn broer Reinier en ik geboren waren. Ze zocht ellendige mensen om zich heen. Ze voelde zich miskend. Als er een schaal met broodjes op tafel stond, nam zij het korstje en klaagde later dat er niks voor haar overbleef.”
De geboorteplaats van Reint Grave
Als de kleinzoon het spoor terug volgt, valt hem op dat over opa’s geboorteplaats enige verwarring is. Het trouwboekje meldt Winschoten als plaats waar hij op 17 september 1904 ter wereld kwam, maar de verzetskaart van het OVCG (Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen) meldt Klein Ulsda (gem. Bellingwolde) waar hij als kind na de geboorte in Winschoten bij zijn ouders op H 39 woonde.
Met de moord op zijn opa is het verhaal van de familie Grave nog lang niet afgesloten, merkt hij, als hij stukje bij beetje het hoe en waarom gaat ontrafelen.
Een familiedrama
Bij zijn speurtocht stuit hij op een familiedrama zonder weerga. Na de zelfmoord van haar moeder vlucht Emiel’s moeder het huis uit. Letterlijk. Definitief trekt zij de deur achter zich dicht. Ze vertrekt eerst naar Groningen, later naar Breukelen, naar de zus van haar vader. “Ze is een tijdje haar stem kwijt geweest. Zo’n impact had die zelfmoord van haar moeder op haar.”
In Breukelen krijgt zij kennis aan Eliza Singor. Een weinig gelukkige relatie, zo blijkt al snel. Een moeizaam huwelijk, zo omschrijft de zoon de relatie van zijn ouders. Zijn vaders broer Redmer moet tijdens de Tweede Wereldoorlog onder erbarmelijke omstandigheden als dwangarbeider werken bij de aanleg van de Birma spoorlijn en komt om. De Japanners weten de gevangenen zo te kwellen en te vernederen dat zij zich amper nog mens voelen. De aanleg van die spoorlijn gaat de geschiedenis in als de ‘Dodenspoorlijn’. Velen laten het leven. Naar schatting sterven ongeveer 100.000 krijgsgevangenen onder wie ten minste 3.000 Nederlandse militairen.
Een gewelddadige vader
Emiel’s vader die geboren wordt met één hand, raakt psychotisch en kan het trauma dat zijn vrouw meedraagt niet de baas. Zijn onmacht viert hij soms bot op de kinderen. Niet lichamelijk maar geestelijk, door de kinderen te kleineren en te manipuleren. In vlagen van woede is hij gewelddadig naar zijn vrouw en verscheurt hij brieven van haar vader, verzetsman Reint Grave. Het lijkt wel alsof hij zijn vrouw op die manier wil kwetsen. Zij raapt die snippers bijeen en verstopt die. Wat rest zijn wat reepjes papier uit Kamp Amersfoort en Buchenwald.
Zijn handicap draagt Eliza Singor een leven lang bij zich. Hij sleept zich door het leven. Ook als kind als hij vaak gepest wordt vanwege die handicap. Het is niet alleen dat lichamelijke dat hem kwelt. Hij draagt ook van binnen een geheim met zich mee. Hij is een onecht kind, geboren uit een slippertje van zijn moeder met de onderdirecteur van de schoenenfabriek in Maarssen waar zijn moeder samen met haar man een schoenenwinkel runde. Hij voelt zich afgewezen en ongewenst. Dat hij maar één hand heeft, zien hij en zijn moeder als de straf van God.
Het leven van Marchien
En Emiel’s moeder? Ook zij torst lang de littekens mee van een geschonden leven. “Zij was iemand van weglopen en niet meer omkijken”, zo omschrijft haar zoon haar. Zij is iemand die het verleden graag diep en diep wil begraven. Misschien, zo vermoedt haar zoon, heeft moeder Gartje Bijl haar dochter Marchien al vroeg onbewust opgezadeld met angsten. Want, als het onweerde zei ze tegen haar dochter: “Meisje, meisje dat zijn voortekenen.” Emiel: “Toen begreep mijn moeder dat niet, maar later was dat een voorteken dat zij een eind aan haar leven zou gaan maken, denk ik.”
Zijn moeder is nooit meer terug geweest naar het ouderlijk huis in Ulsda. Na de zelfmoord van haar moeder gaan alle spullen in huis naar een opkoper. Het huis moet leeg, De familie neemt dat karwei op zich. Kennelijk wringt bij haar toch iets want later koopt ze bij die opkoper haar eigen spullen gedeeltelijk weer terug.
In haar latere leven zal zij een afslag nemen die haar troost biedt maar haar een tijdlang vervreemdt van haar jongste zoon. Zij zoekt in de jaren zestig houvast bij de Pinkstergemeente. Emiel: “Dat was haar redding, daar voelde ze zich thuis.” Maar voor hem, haar enige nog levende zoon, is het aansluiten bij die gemeenschap een klap in het gezicht. Zijn moeder distantieert zich van hem, wil hem niet meer zien, Beiden mijden het contact. Zes jaar lang zien of spreken ze elkaar niet.
Broer Reinier
Zijn twee jaar oudere broer Reinier, die zich later dood zal drinken, plaatst ze echter op een voetstuk. Moeder en zoon wentelen zich in hun eigen ellende, beiden zien om zich heen allerlei samenzweringen en beiden keren zich af van hun naasten. Emiel: “Ik kon geen goed doen. Ik werd niet gezien. Zij trok mijn broer voor en zei vaak dat hij zo op haar vader leek, mijn opa.” Emiel neemt zich voor keihard te werken. Hij wil gezien worden, hij wil zich bewijzen, hij wil erkenning en zal zich na de middelbare school als specialist bekwamen in de werktuigbouw op het gebied van bruggen. Hij wil zich niet klein laten krijgen door ouders die beiden een trauma op hebben gelopen in de oorlog. De één psychotisch, de ander paranoïde.
“Mijn moeder werd wantrouwend, achterdochtig, dacht dat ik haar spullen achterover drukte.” Ze onterft hem en laat in haar testament alles na aan de Pinkstergemeente.
Ondanks al die onterechte verwijten wijst hij haar niet af. “Ik koester geen wrok. Ik weet nu wat oorlog met mensen kan doen Ik heb vrede gesloten met het verleden. Pas op haar sterfbed in het hospice hebben we het contact hersteld en is ze in mijn armen gestorven.”
Eerherstel voor opa
Dat hij nu alles verzamelt over zijn opa komt omdat hij hem eerherstel wil verlenen. Iemand die zijn leven gaf voor ons leven in vrede en veiligheid. “Ik ben nu 20 jaar ouder dan hij is geworden. Ik wil zijn verhaal vertellen en zeggen: ‘Opa ik ben trots op je.'”
Al onterft zijn moeder hem, hij verzoekt de broeders en zusters van de Pinkstergemeente niet alles op te eisen. Zelf wil hij ook iets persoonlijks van haar bewaren. Nadrukkelijk verzoekt hij die gemeente spullen die voor hen niet van waarde zijn zoals brieven, foto’s en documenten aan hem over te dragen, hetgeen ook geschiedt. Hij diept twaalf dozen op en begint daarna aan het ontrafelen van haar leven.
“Het is goed ma”
De testamentair executeur, die ook lid is van de Pinkstergemeente meldt hem bij de overdracht dat de laatste brief die Reint Grave uit Dachau schreef in de krantenbak naast de bank zat. Die brief, zo vermoedt hij, moet zijn moeder regelmatig herlezen hebben. Om misschien voor even het gevoel te hebben zo dicht bij haar vader te kunnen komen.
Zijn moeder probeert haar leven lang de herinneringen uit te bannen, zegt hij bij haar uitvaart in 2018. Maar dat lukt maar gedeeltelijk. Herinneringen drijven spontaan boven. ‘De herinnering is’, zo schreef de onlangs overleden schrijver Cees Nooteboom in het boek Rituelen zo ontroerend, ‘als een hond die gaat liggen waar hij wil’. Ook bij Marchien Grave komt het verleden geregeld en ongevraagd op bezoek.
Bij haar begrafenis in februari somt hij alle treurnis op, neemt geen blad voor de mond maar doet zo recht aan hun beider leven. Hij sluit zijn toespraak af met liefdevolle, troostende woorden die hij ook uitsprak vlak voordat zijn moeder ophield met ademen: “Het is goed ma. Laat het maar los. Je hebt je best gedaan.”
“Mijn moeder wist zeker dat Jezus voor haar is gestorven. Dat ze nu bij God is. Dat het aardse leven niet voor niets is geweest. Ik wens dat alle mooie dingen gebeuren waar ze naar uit heeft gezien. Dat ze vrij is van verdriet. Dat ze nu gelukkig is. Mijn moeder wier stem zo fijn was aan mijn bed als ik vroeger ziek was.”
Contact en meer informatie
Heeft u vragen of zelf meer informatie over Reint Grave? Dan kunt u per mail contact opnemen met kleinzoon Emiel Singor. Zijn e-mailadres is e.singor@outlook.com.


