Het verhaal van kantoorbediende Pieter Aukes

Pieter Aukes (1923-1945)

Kantoorbediende bij zaadhandel Zwaan & De Wiljes

Het in  2025 uitgekomen boek Ik ben zo weer terug waarin alle 67 omgekomen verzetsmensen uit de gemeente Oldambt een gezicht kregen, roept bij nabestaanden diverse herinneringen op.  De een komt met essentiële aanvullingen, de ander diept nog een familielid op die ook bezweken is aan de naziterreur. 

 

Door Cees Stolk, maart 2026

Zoals Pieter Aukes uit Scheemda die in een strafkamp omkwam in Wilhelmshaven en op 4 mei 1945 (!) overlijdt in een noodhospitaal in Delfzijl, Zijn nicht Zwannet Bos verdiepte zich in het leven van haar oom, die in Beerta is geboren.

Op deze plek bewijzen wij deze verzetsman die zijn leven gaf voor ons leven in vrede en veiligheid, alsnog de eer.

"Hij woog nog maar 25 kilo"

Oma Zwaantje kent een vast ritueel als  haar kleindochter Zwannet bij haar op bezoek komt. Steevast neemt ze de kleine meid dan mee naar de nabijgelegen begraafplaats in Scheemda. “Dan gingen we naar het graf van oom Pieter die ik niet kende. Ik had toen het besef niet dat dat bezoek voor oma zo belangrijk was.” Maar ze gaat braaf mee, “…want dan liepen we over een loopplank over een slootje en dat vond ik reuze spanend. Ik herinner me dat zij altijd een bosje goudsbloemen bij zich had en die op het graf legde.” Heel toepasselijk: de goudsbloem als symbool van genegenheid.

Pas later, veel later, als zij zelf de jaren des onderscheids bereikt, dringt de betekenis van dat bezoekje tot haar door. Haar moeder wil dat het graf van haar broer die omgekomen is door Duitse terreur, niet wordt vergeten. En dus gaat haar dochter op onderzoek uit en achterhaalt wie oom Pieter Aukes bij leven was.

Het leven van Pieter Aukes

Pieter is de oudere broer van haar moeder Tiny. Pieter Aukes, geboren in Beerta maar opgegroeid in een gezin van vier kinderen aan de Molenlaan in Scheemda, is 16 jaar als de oorlog uitbreekt. Zijn oudere broer Hendrik is van het begin af actief in het verzet en voorziet onderduikers van bonkaarten. Hij werkt op het distributiekantoor en kan zo voedselbonnen bemachtigen. Na zijn eindexamen ULO gaat Pieter als kantoorbediende werken bij zaadhandel Zwaan & De Wiljes. Wellicht geïnspireerd door zijn oudere broer verleent Pieter hem hand- en spandiensten. Halverwege 1943 krijgt hij een oproep om zich bij de Arbeitseinsatz te melden maar hij weigert. Hij duikt onder en vindt onderdak in Overijssel, in de buurt van Nijverdal bij een boerenfamilie waar hij net als andere onderduikers meewerkt op de boerderij.

Pieter Aukes.

Broer Hendrik

Zijn oudere broer Hendrik duikt een paar maanden later onder in Nijverdal en vlucht, nadat hij is herkend door een NSB’er uit Scheemda, naar Markelo, waar hij uiteindelijk benoemd wordt tot commandant van de knokploeg nadat zijn voorgangers door de nazi’s waren gefusilleerd. Hij overleeft de oorlog en wordt later burgemeester van Ezinge.

De arrestatie van Pieter

Voor zijn jongere broer Pieter slaat echter het noodlot toe. Met nog enkele onderduikers wil hij in december 1944 naar huis. Kerst willen zij thuis vieren. Met de schop aan de fiets vertrekken zij naar het Noorden. Zo doen zij zich voor als arbeiders die in Duitsland moeten werken maar onderweg bij een Ausweis-controle zijn de persoonsbewijzen van enkele kameraden niet in orde en belanden zij in het Huis van Bewaring in Assen. Pieter Aukes wordt gemarteld, onder meer omdat zijn ondervragers willen weten waar zijn ondergedoken broer Hendrik uithangt.

Strafkamp Schwarzer Weg bij Wilhelmshaven

Begin januari gat hij op transport naar het strafkamp bij Wilhelmshaven. Dit werkkamp is een horror kamp. Op het laatst van de oorlog transporteren de nazi’s met name Noorderlingen daar naar toe. Groningers, Friezen en Drenten leven daar onder erbarmelijke omstandigheden. De kou is niet te harden; ze lijden honger en zitten onder de luizen. Mishandelingen en straffen zijn aan de orde van de dag.

Al vroeg staan de gevangenen op appèl, ruimen ze puin en graven ze greppels. Onzinnig maar uitputtend werk. Drie maanden verblijft Aukes in deze ‘hel op aarde’ als hij met 300 andere gevangenen met een ziekentransport naar Delfzijl mag. De nazi’s voelen de hete adem in hun nek van oprukkende geallieerden. Op 16 april 1945 meert het schip in de haven aan.

Barak van het kamp Schwarzer Weg (foto van voor de Tweede Wereldoorlog). Bron: kampwilhelmshaven.nl

 Voor Aukes baat die ‘bevrijding’ echter niet. Hij is zo uitgemergeld en zo verzwakt dat hij in de havenstad in het noodhospitaal van het Rode Kruis, het gymlokaal van een lagere school, belandt. Hij heeft tbc en dysenterie opgelopen en weegt nog maar 25 kilo.

Net op tijd

Pieter Aukes beseft dat hij niet lang meer te leven heeft, dat hij stervende is. Aan verpleegster Geertje Gierman uit Delfzijl vraagt hij op zijn sterfbed: “Ik zie mijn moeder toch nog wel?” De verpleegster wil hem niet teleurstellen en beaamt dat elke keer wanneer Pieter haar dit vraagt, zelfs op de laatste avond wanneer de arts haar meedeelt dat Pieter de nacht niet zal halen. Ze is onwetend dat diezelfde avond schoolmeester Bodde onderweg is naar Scheemda waar hij vandaan komt. Zijn familie woont daar. Hij weet de ouders van Pieter te bereiken en licht hen in over de gezondheid van hun zoon. Ze arriveren midden in de nacht, een uur voordat hij de laatste adem uitblaast, op 4 mei 1945.

Kleindochter Zwannet weet dat haar opa, oma en moeder nog afscheid van hun zoon en broer hebben kunnen nemen. Op 5 mei wordt het lichaam van Pieter Aukes thuisgebracht in Scheemda en vier dagen later volgt de teraardebestelling.

Altijd herdenken

Op 4 mei staat Zwannet altijd twee minuten stil bij het overlijden van haar oom. Zij onderhoudt zijn graf ook, dat heeft ze aan haar moeder beloofd. Nog niet zo lang geleden is de belettering op de grafsteen bijgekleurd en ziet er weer fris uit:

“Na veel te hebben geleden in een Duits concentratiekamp
Rust zacht lieve Piet.
Wat God ons had gegeven, dat nam hij ook weer af.
Maar ‘t beste blijft toch leven, 
t verzinkt niet weg in het graf.
Laatste medegroet van de bewoners van de Molenstraat.’’

Het graf van Pieter Aukes op de algemene begraafplaats in Scheemda.

Boek ‘Oorlogsjaren van een zondagskind’ 

Over het leven van haar oom schrijft zij onder haar meisjesnaam Zwannet Bos vele jaren later een boek: Oorlogsjaren van een zondagskind, ISBN 9789057861536.

Het verhaal van raadslid Reint Grave

Reint Grave (1904-1943)

Raadslid in Bellingwolde

Het in 2025 uitgekomen boek Ik ben zo weer terug waarin alle 67 omgekomen verzetsmensen uit de gemeente Oldambt een gezicht kregen, roept bij nabestaanden diverse herinneringen op. De een komt met essentiële aanvullingen, de ander diept nog een familielid op die ook bezweken is aan de naziterreur. 

Emiel Singor, kleinzoon van Reint Grave, dook in de treurige geschiedenis van zijn opa, zijn oma en zijn moeder. Grave, wiens geboorteplaats Winschoten is volgens het trouwboekje, kwam om in Dachau, maar op zijn verzetskaart staat Bellingwolde als geboorteplaats. Vandaar dat hij niet als verzetsman was opgenomen in het boek. Op deze plek bewijzen wij deze verzetsman die zijn leven gaf voor ons leven in vrede en veiligheid, alsnog de eer.

Door Cees Stolk, maart 2026

'Het oorlogstrauma zit diep in onze familie'

Tragiek tekent de familie. De moord op verzetsman Reint Grave laat diepe sporen na. Tot op de dag van vandaag. Als haar man een half jaar na de bevrijding niet terugkeert uit concentratiekamp Dachau, slaat zijn vrouw Gartje Bijl de hand aan zichzelf, 39 jaar oud. Enige dochter Marchien, dan 18 jaar, vindt haar bij het opstaan, hangend aan een touw in de schuur.

Die aanblik zet haar hele leven op z’n kop en zal haar blijvend achtervolgen. Ze ontvlucht het huis, komt er nooit meer terug. Woning H 41 aan het water in Ulsda zal ze nimmer meer willen zien, noch van binnen noch van buiten. Haar familie geeft alle huisraad weg aan een opkoper. Zo denkt ze een streep te zetten onder een triest verleden maar dat is slechts schijn.

Want, zo zegt kleinzoon Emiel Singor (1967): “Het oorlogstrauma zit diep in onze familie. De aanblik van haar moeder moet traumatisch geweest zijn voor haar.” De wonden van Marchien zullen niet helen. De littekens blijven zichtbaar, het verdriet slijt amper, zo blijkt als hij het droeve spoor terug volgt van zijn familie die de dreun van een oorlog niet te boven komt.

Na de dood van zijn moeder Marchien Singor-Grave (1927-2018) duikt de zoon in haar verleden en diept documenten op die een beeld geven van een getroebleerd leven. Bij haar uitvaart op 13 februari 2018 vertelt hij uitgebreid over haar door de oorlog getekend bestaan.

Voor de oorlog uitbreekt in 1940 leidt zijn moeder een vrij onbezorgd leven in een huisje aan het water in (Klein) Ulsda, dorp van scheepsjagers. Dat beroep gaat hier als vanzelfsprekend over van vader op zoon. In ‘Hutten’ zoals Ulsda in de vroege volksmond heette, wemelt het begin 20ste eeuw van de scheepsjagers die volop werk hebben als bij herfstdag zeker 100 schepen over de Westerwoldse Aa versleept moeten worden.

Het rijtje huizen langs de Westerwoldse Aa aan de dijk in Klein Ulsda. |Na de verbreding van de A zijn de huizen verdwenen.

Het leven van Reint Grave

Reint Grave is één van die scheepsjagers, net als ook zijn vader en diens vader. Reint is echter meer dan dat, hij is een manusje-van-alles. Hij handelt, hij smokkelt, drijft met zijn vrouw een winkeltje in allerhande koopwaar en hij is lid van de gemeenteraad van Bellingwolde voor de communistische partij CPN. Uit dien hoofde is hij begaan met het lot van de armen in de gemeente en schrijft hij in februari 1940 een brief aan het college van Burgemeester & Wethouders, waarin hij verzoekt om ruimere steun voor de werklozen. Thuis in Ulsda hebben de Grave’s een mini Voedselbank en delen zij eten uit aan nooddruftigen.

Als de oorlog uitbreekt, sluit CPN’er Grave zich als vanzelfsprekend aan bij de verzetsgroep De Rode Hulp en helpt hij (joodse) vluchtelingen de grens over bij Nieuweschans en Bellingwolde. Zijn dochter Marchien vindt het maar wat spannend als vreemden over de vloer komen en een nachtje op zolder logeren eer ze de volgende dag weer vertrekken naar elders in Nederland, op zoek naar een veilig onderkomen.

Reint Grave met zijn vrouw Gartje en hun dochter Marchien voor hun huis in Klein Ulsda.

Een onbekommerd leven, zo lijkt het, een warm gezin zo met z’n drietjes tot het noodlot toeslaat en haar vader op 1 juni 1941 gearresteerd wordt en nimmer weerom komt. Na de Februaristaking in 1941 pakken de nazi’s massaal communisten op en transporteren ze naar concentratiekampen. Zo ook Reint Grave.

Reint gaat eerst naar de gevangenis in Groningen en daarna naar gevangenis in Scheveningen. Vervolgens gaat hij op transport naar Durchgangslager Amersfoort en concentratiekampen als Buchenwald en Groß-Rosen, waarna hij uiteindelijk belandt in Dachau waar hij op 22 april 1943 door uitputting sterft. ‘Pleuritis’, zo staat op zijn Sterbeurkunde.

Wat Grave bij zich heeft als hij in Groß-Rosen arriveert wordt nauwkeurig bijgehouden.

Brieven uit Groß-Rosen en Dachau

Tijdens het korte verblijf in Groß-Rosen van 27 april tot begin september 1942 schrijft hij op 14 juni in een brief aan huis dat hij gelukkig nog gezond is en informeert of zijn dochter goede schoolresultaten boekt. Twee weken later vraagt hij aan zijn vrouw Gartje terug te schrijven. In het Duits, zo onderstreept hij die woorden. Op 12 juli feliciteert hij alsnog zijn dochter Marchien met haar 15e verjaardag die op 30 juni haar jaardag viert. Hij hoopt dat zij een fijne dag heeft gehad. Ook in deze brief is hij volgens eigen zeggen nog ‘gesund’.

Op 6 september 1942 verstuurt hij (zij het een korte) laatste brief naar huis uit dit Nacht und Nebel kamp. Hij vertrekt dan naar Dachau. In dit zuid-Duitse strafkamp nabij München ontstaat een briefwisseling tussen hem en zijn vrouw.

Gartje schrijft op 16 februari 1943 dat zij en haar dochter zich ondanks de kou goed door de winter heen hebben geslagen. Zij hoopt dat haar man ook in de buitenlucht kan werken en niet de hele dag in een cel hoeft door te brengen. Over dochter Marchien schrijft ze: “Ze leert goed zodat ik niet vrees dat ze zal zakken.”

Grave schrijft uit Groß-Rosen.
Grave’s laatste brief uit Dachau.

Geld voor eten

Gartje vermeldt aan het eind van haar brief dat ze 11 gulden heeft overgemaakt naar Dachau zodat hij daar wat eten kan kopen. “Ja jongen, je moet niet denken dat wij de moed laten varen, hoor. We hebben immers meer tegenslagen meegemaakt en wanneer we toen ook de moed hadden laten zakken waar zouden we dan gebleven zijn.” En passant vermeldt ze dat kennissen helemaal op de schaats van Groningen naar Ulsda zijn gereden. Ze eindigt met “vele zoenen van ons.”

Reint schrijft op 14 maart terug. Het is zijn laatste brief, een maand voor zijn dood. In het Duits informeert hij hoe het met zijn dochter op school gaat en vraagt zijn vrouw om wat schone kleren. Het handschrift is echter niet het zijne; wellicht dicteert hij aan iemand anders wat hij naar huis zal schrijven. Blijkens de brief verheugt hij zich dat het over enkele maanden weer mei zal zijn. Achter de zin staat een uitroepteken. Hij mag eens per maand wat levensmiddelen ontvangen en vraagt om wat uien en gedroogde groente.

‘We hopen je gauw weer te zien’

De brief telt drie kantjes en eindigt met: “Ein Kuß für du Gartje und Marchien und ein fester Handdrück von dein liebhabende Mann und Vater.” De handtekening – Reint – is wel van hem. Kennelijk is hij al zo uitgeput dat hij geen pen meer kan vasthouden. Het briefhoofd vermeldt dat hij in Dachau gevangene numero 36227 is en opgesloten zit in Block 25.

In mei 1943 stuurt Gartje nog een brief van vier kantjes naar haar man in Dachau. Zij meldt dat de scholen gesloten zijn, maar dat Marchien thuis verder leert. Ze schrijft over ditjes en datjes en beurt hem op. Zorgen maakt ze zich om de tuin of die op tijd gereed komt want het is een lange winter geweest. Met Reint’s moeder gaat het ook nog goed. “We hopen allen je gauw weer terug te zien.”

Grave’s vrouw schrijft hem terug maar hij zal die brief nooit meer onder ogen krijgen.

De brief eindigt met een persoonlijke noot van zijn dan 16 jaar oude dochter Marchien: “Ik heb de hele winter op uw schaatsen gereden. En ze gingen best hoor, nog wel beter dan mijn eigen dunkt me. Wedstrijden hebben we niet veel gehad, van school tenminste helemaal niet.” Ze eindigt met een “dikke kus. “

Die brief zal Reint nimmer onder ogen krijgen. Hij overlijdt op donderdag 22 april 1943 om 14.20 uur.

Gartje kan zijn dood niet verwerken

De dood van haar man kan Gartje Bijl (1906-1945) niet verwerken. Zij maakt op 18 november 1945 een einde aan haar leven. Voor haar enige dochter, dan 18 jaar, een onbeschrijfelijk verlies. Ze is gek op haar ouders. Met haar vader houdt ze ’s winters een wedstrijdje wie het hardst kan schaatsen. Zij wint vaak en glorieert. Met haar moeder is ze hecht, een zachtaardige vrouw, die haar als kind vertroetelt.

Die twee klappen: de moord op haar vader en de zelfmoord van haar moeder zal Emiel’s moeder nooit te boven komen, zo ervaart hij aan den lijve. “Mijn moeder verzonk in haar eigen verdriet.” Verdriet over een onverwerkt trauma dat lang naijlt. De moord op verzetsman Reint Grave zal de hele familie door elkaar schudden. “Mijn moeder wentelde zich in haar verdriet, was destructief. Gedachten om een eind aan haar leven te maken drongen zich aan haar op, voordat mijn broer Reinier en ik geboren waren. Ze zocht ellendige mensen om zich heen. Ze voelde zich miskend. Als er een schaal met broodjes op tafel stond, nam zij het korstje en klaagde later dat er niks voor haar overbleef.”

De geboorteplaats van Reint Grave

Als de kleinzoon het spoor terug volgt, valt hem op dat over opa’s geboorteplaats enige verwarring is. Het trouwboekje meldt Winschoten als plaats waar hij op 17 september 1904 ter wereld kwam, maar de verzetskaart van het OVCG (Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen) meldt Klein Ulsda (gem. Bellingwolde) waar hij als kind na de geboorte in Winschoten bij zijn ouders op H 39 woonde.

Met de moord op zijn opa is het verhaal van de familie Grave nog lang niet afgesloten, merkt hij, als hij stukje bij beetje het hoe en waarom gaat ontrafelen.

Reint Grave.

Een familiedrama

Bij zijn speurtocht stuit hij op een familiedrama zonder weerga. Na de zelfmoord van haar moeder vlucht Emiel’s moeder het huis uit. Letterlijk. Definitief trekt zij de deur achter zich dicht. Ze vertrekt eerst naar Groningen, later naar Breukelen, naar de zus van haar vader. “Ze is een tijdje haar stem kwijt geweest. Zo’n impact had die zelfmoord van haar moeder op haar.”

In Breukelen krijgt zij kennis aan Eliza Singor. Een weinig gelukkige relatie, zo blijkt al snel. Een moeizaam huwelijk, zo omschrijft de zoon de relatie van zijn ouders. Zijn vaders broer Redmer moet tijdens de Tweede Wereldoorlog onder erbarmelijke omstandigheden als dwangarbeider werken bij de aanleg van de Birma spoorlijn en komt om. De Japanners weten de gevangenen zo te kwellen en te vernederen dat zij zich amper nog mens voelen. De aanleg van die spoorlijn gaat de geschiedenis in als de ‘Dodenspoorlijn’. Velen laten het leven. Naar schatting sterven ongeveer 100.000 krijgsgevangenen onder wie ten minste 3.000 Nederlandse militairen.

Een gewelddadige vader

Emiel’s vader die geboren wordt met één hand, raakt psychotisch en kan het trauma dat zijn vrouw meedraagt niet de baas. Zijn onmacht viert hij soms bot op de kinderen. Niet lichamelijk maar geestelijk, door de kinderen te kleineren en te manipuleren. In vlagen van woede is hij gewelddadig naar zijn vrouw en verscheurt hij brieven van haar vader, verzetsman Reint Grave. Het lijkt wel alsof hij zijn vrouw op die manier wil kwetsen. Zij raapt die snippers bijeen en verstopt die. Wat rest zijn wat reepjes papier uit Kamp Amersfoort en Buchenwald.

De registratie van Reint Grave in Buchenwald. Hij is gevangene nummer 175.

Zijn handicap draagt Eliza Singor een leven lang bij zich. Hij sleept zich door het leven. Ook als kind als hij vaak gepest wordt vanwege die handicap. Het is niet alleen dat lichamelijke dat hem kwelt. Hij draagt ook van binnen een geheim met zich mee. Hij is een onecht kind, geboren uit een slippertje van zijn moeder met de onderdirecteur van de schoenenfabriek in Maarssen waar zijn moeder samen met haar man een schoenenwinkel runde. Hij voelt zich afgewezen en ongewenst. Dat hij maar één hand heeft, zien hij en zijn moeder als de straf van God.

Het leven van Marchien

En Emiel’s moeder? Ook zij torst lang de littekens mee van een geschonden leven. “Zij was iemand van weglopen en niet meer omkijken”, zo omschrijft haar zoon haar. Zij is iemand die het verleden graag diep en diep wil begraven. Misschien, zo vermoedt haar zoon, heeft moeder Gartje Bijl haar dochter Marchien al vroeg onbewust opgezadeld met angsten. Want, als het onweerde zei ze tegen haar dochter: “Meisje, meisje dat zijn voortekenen.” Emiel: “Toen begreep mijn moeder dat niet, maar later was dat een voorteken dat zij een eind aan haar leven zou gaan maken, denk ik.”

Zijn moeder is nooit meer terug geweest naar het ouderlijk huis in Ulsda. Na de zelfmoord van haar moeder gaan alle spullen in huis naar een opkoper. Het huis moet leeg, De familie neemt dat karwei op zich. Kennelijk wringt bij haar toch iets want later koopt ze bij die opkoper haar eigen spullen gedeeltelijk weer terug.

In haar latere leven zal zij een afslag nemen die haar troost biedt maar haar een tijdlang vervreemdt van haar jongste zoon. Zij zoekt in de jaren zestig houvast bij de Pinkstergemeente. Emiel: “Dat was haar redding, daar voelde ze zich thuis.” Maar voor hem, haar enige nog levende zoon, is het aansluiten bij die gemeenschap een klap in het gezicht. Zijn moeder distantieert zich van hem, wil hem niet meer zien, Beiden mijden het contact. Zes jaar lang zien of spreken ze elkaar niet.

Broer Reinier

Zijn twee jaar oudere broer Reinier, die zich later dood zal drinken, plaatst ze echter op een voetstuk. Moeder en zoon wentelen zich in hun eigen ellende, beiden zien om zich heen allerlei samenzweringen en beiden keren zich af van hun naasten. Emiel: “Ik kon geen goed doen. Ik werd niet gezien. Zij trok mijn broer voor en zei vaak dat hij zo op haar vader leek, mijn opa.” Emiel neemt zich voor keihard te werken. Hij wil gezien worden, hij wil zich bewijzen, hij wil erkenning en zal zich na de middelbare school als specialist bekwamen in de werktuigbouw op het gebied van bruggen. Hij wil zich niet klein laten krijgen door ouders die beiden een trauma op hebben gelopen in de oorlog. De één psychotisch, de ander paranoïde.

“Mijn moeder werd wantrouwend, achterdochtig, dacht dat ik haar spullen achterover drukte.” Ze onterft hem en laat in haar testament alles na aan de Pinkstergemeente.

Ondanks al die onterechte verwijten wijst hij haar niet af. “Ik koester geen wrok. Ik weet nu wat oorlog met mensen kan doen Ik heb vrede gesloten met het verleden. Pas op haar sterfbed in het hospice hebben we het contact hersteld en is ze in mijn armen gestorven.”

Eerherstel voor opa

Dat hij nu alles verzamelt over zijn opa komt omdat hij hem eerherstel wil verlenen. Iemand die zijn leven gaf voor ons leven in vrede en veiligheid. “Ik ben nu 20 jaar ouder dan hij is geworden. Ik wil zijn verhaal vertellen en zeggen: ‘Opa ik ben trots op je.'”

Al onterft zijn moeder hem, hij verzoekt de broeders en zusters van de Pinkstergemeente niet alles op te eisen. Zelf wil hij ook iets persoonlijks van haar bewaren. Nadrukkelijk verzoekt hij die gemeente spullen die voor hen niet van waarde zijn zoals brieven, foto’s en documenten aan hem over te dragen, hetgeen ook geschiedt. Hij diept twaalf dozen op en begint daarna aan het ontrafelen van haar leven.

Zijn gevangen kaart in Groß-Rosen. Reint heeft als beroep timmerman opgegeven.

“Het is goed ma”

De testamentair executeur, die ook lid is van de Pinkstergemeente meldt hem bij de overdracht dat de laatste brief die Reint Grave uit Dachau schreef in de krantenbak naast de bank zat. Die brief, zo vermoedt hij, moet zijn moeder regelmatig herlezen hebben. Om misschien voor even het gevoel te hebben zo dicht bij haar vader te kunnen komen.

Zijn moeder probeert haar leven lang de herinneringen uit te bannen, zegt hij bij haar uitvaart in 2018. Maar dat lukt maar gedeeltelijk. Herinneringen drijven spontaan boven. ‘De herinnering is’, zo schreef de onlangs overleden schrijver Cees Nooteboom in het boek Rituelen zo ontroerend, ‘als een hond die gaat liggen waar hij wil’. Ook bij Marchien Grave komt het verleden geregeld en ongevraagd op bezoek.

Bij haar begrafenis in februari somt hij alle treurnis op, neemt geen blad voor de mond maar doet zo recht aan hun beider leven. Hij sluit zijn toespraak af met liefdevolle, troostende woorden die hij ook uitsprak vlak voordat zijn moeder ophield met ademen: “Het is goed ma. Laat het maar los. Je hebt je best gedaan.”

“Mijn moeder wist zeker dat Jezus voor haar is gestorven. Dat ze nu bij God is. Dat het aardse leven niet voor niets is geweest. Ik wens dat alle mooie dingen gebeuren waar ze naar uit heeft gezien. Dat ze vrij is van verdriet. Dat ze nu gelukkig is. Mijn moeder wier stem zo fijn was aan mijn bed als ik vroeger ziek was.”

Contact en meer informatie

Heeft u vragen of zelf meer informatie over Reint Grave? Dan kunt u per mail contact opnemen met kleinzoon Emiel Singor. Zijn e-mailadres is e.singor@outlook.com. 

Zaterdag 4 oktober 2025: Boekpresentatie ‘Ik ben zo weer terug’

Zaterdag 4 oktober 2025:

Boekpresentatie 'Ik ben zo weer terug'

“Ik ben zo weer terug”, zei Engel Etsko Nap uit Finsterwolde tegen zijn vrouw Antje en zijn zoontje Willy toen hij op 6 mei 1941 gearresteerd werd. Het waren zijn laatste woorden. Hij kwam niet terug maar stierf als Häftling 904 op 23 juni 1942 in Buchenwald. Nap was één van de 67 Oldambtster verzetsmensen die omkwamen in Duitse concentratiekampen.

Door Sabine Kokee, 15 september 2025

Net als Nap dachten zij ook dat ze na een kort verblijf in de gevangenis spoedig weer terug zouden keren naar huis. Een illusie, zo bleek al snel. Zij stierven ver van huis. Door uitputting, door ziekte, door ophanging of door executie. Over die vermoorde verzetsmensen schreef Cees Stolk zijn nieuwe boek ‘Ik ben zo weer terug’. Dit boek geeft al die vermoorde Oldambtsters een gezicht en brengt ze zo als het ware weer thuis.

Trilogie over de oorlog in Oldambt

Cees Stolk: “Met dit boek voltooi ik een trilogie over de oorlog in het Oldambt. Het begon in 2022 met een portret over een doorsnee dorp in Groningen, het boek ‘Dorp in oorlogstijd’ over mijn eigen dorp Nieuwolda. Wat gebeurde er in die vijf jaren? Het boek schetst een beeld aan de hand van getuigenissen, dagboeken en persoonlijke herinneringen. In de nadagen van de oorlog moest het hele dorp evacueren en sloeg op de vlucht. Het boek belicht verzet, verraad, verschrikking en verlies.

Toen ik in mei 2023 de 4 mei-lezing verzorgde in Dorpshuis ‘t Trefpunt in Nieuwolda hield ik de aanwezigen de vraag voor: “Wie weet wie B.K. Bosma is, naar wie hier dichtbij een plein vernoemd is?” Het zou, zo opperde ik, het nieuwe college van B&W sieren om alle 26 straatnamen in de gemeente, vernoemd naar verzetsmensen, te ondertitelen. Dus om op de borden te duiden wie die namen waren.

De in de zaal aanwezige wethouder Gert Engelkens zei na afloop dat hij van die suggestie werk zou maken. En inderdaad, binnen niet al te lange tijd, waren alle straatnamen in de gemeente ondertiteld en zag het boek ‘Een doos vol verdriet’ het licht. In dat boek schets ik een portret van al die mensen in het verzet waarnaar een straatnaam is vernoemd in het Oldambt. Het eerste bord werd in mei 2024 onthuld aan de C.G. Wiegersweg in Finsterwolde.

Oud-journalist Cees Stolk.
Het nieuwe boek verschijnt op 4 oktober 2025.

Ain pokkel waark

Al vrij snel na het verschijnen van dit boek kreeg ik van verschillende kanten de vraag voorgelegd: maar er zaten toch meer mensen in het verzet? Die mogen toch niet vergeten worden. Die vraag bleef mij bezighouden en dus zette ik mij aan iets wat de Groninger omschrijft als ‘ain pokkel waark’, het in kaart brengen van al die door de nazi’s vermoorde mannen uit het Oldambt. Het bleken er maar liefst 67 te zijn.

Na anderhalf jaar noeste arbeid is het gelukt. In mijn nieuwe boek ‘Ik ben zo weer terug’ krijgen de omgekomen verzetsmensen een naam en een gezicht.

Het verzet in het Oldambt

In totaal zaten in wat nu de gemeente Oldambt is, tussen de 280 en 300 mensen in het verzet, aldus het boek ‘Verzet in Groningen’ van Niemeijer & Mulder. Nieuwolda kende het hoogste percentage verzetsmensen van de provincie Groningen: 1,57% (32 mensen). In elk geval hoger dan omliggende dorpen en zelfs hoger dan Winschoten dat tot een geringer percentage kwam: 0,57%.

Groningers betaalden een hoge prijs voor hun verzet tegen de nazi’s. Met name in communistisch georiënteerde dorpen als Beerta, Drieborg en Finsterwolde was het aantal vermoorde verzetsmensen navenant hoog.

Boekpresentatie op zaterdag 4 oktober

Op zaterdag 4 oktober om 13:30 uur is de boekpresentatie van ‘Ik ben zo weer terug’ in MFC De Hardenberg in Finsterwolde. Drie nazaten van de omgekomen mannen zullen als eersten het boek in ontvangst nemen, twee kleindochters en een oudoom. Cees Stolk deelt dan enkele verhalen uit zijn boek. Belangstellenden zijn van harte welkom de boekpresentatie bij te wonen. Na afloop is het boek te koop.

‘Ik ben zo weer terug’ is 250 pagina’s dik en rijk geïllustreerd.
Het boek is na de presentatie op 4 oktober te koop in boekwinkels, zoals bij de Bruna in Winschoten maar ook bij supermarkt Bennink in Nieuwolda.

Boekpresentatie

Datum: Zaterdag 4 oktober 2025
Tijd: 13:30 uur
Locatie: MFC De Hardenberg, Finsterwolde
Toegang lezing: gratis

Toespraak Sasja Michalski over haar opa en de Poolse bevrijders – Dodenherdenking 2025

Toespraak Dodenherdenking 2025 door kleindochter van Poolse bevrijder

Op 4 mei 2025 verzamelden de inwoners van Nieuwolda om 19 uur op het B.K. Bosmaplein. Morgen zouden we 80 jaar vrijheid vieren, maar vandaag wilden we stilstaan bij de mensen die hun leven gaven voor onze vrijheid. Na het verhaal over verzetsman Bosma liep de stoet naar de kerk van Nieuwolda.

Door Sabine Kokee, 16 mei 2025

Op de kerk hangt een plaquette om onze Poolse bevrijders te herdenken. 

Sasja Michalski, de kleindochter van de Poolse bevrijder Paul Michalski, vertelde het verhaal van haar opa. Een indrukwekkend verhaal, zeker omdat we bij onze geschiedenislessen niets leren over wat de Polen voor ons deden en wat er daarna met hun land gebeurde.

Wie was Paul Michalski

Mijn opa - het verhaal van Sasji Michalski

Om heel eerlijk te zijn? Ik heb eigenlijk geen idee, niemand niet…. ik weet het niet, mijn vader niet, zijn strijdmakkers niet en ik denk dat hij het zelf misschien ook niet meer wist.

In zijn militaire Paybook staat te lezen: Paulek Michalski.
Tja, die naam daar zijn we altijd maar vanuit gegaan. Het enige wat we wisten was een naam, geboren in Katowice in 1921 en katholiek.

Ik denk dat een ieder een eigen beeld had van opa Michalski, ik had een goede en fijne band met mijn opa. Het was een vreemde man, als je hem een tijdje niet gezien had kon je hem in het begin niet verstaan. Hij had door de jaren heen een eigen taal ontwikkeld met woorden uit het Pools, Duits, Nederlands, Gronings en om er nog een leuk sausje overheen te gooien, zijn eigen koeterwaals.

Sasja Michalski
Paul Michalski

In mijn lagereschooltijd was ik veel in Stadskanaal waar mijn opa en oma woonden aan de Meester Neuteboomstraat. Mijn opa en oma woonden naast mijn school dus het was logisch dat ik tussen de middag en na school bij hun bleef tot mijn ouders vrij waren van hun werk. Eigenlijk was het huis van opa en oma Michalski gewoon mijn 2de thuis.

Opa had een bloeiende fantasie, was creatief en ook vaak ondeugend. Als ik als kind eens iets uitvrat werd ik door mijn moeder “Leutje Paultje” genoemd. (Dat was in haar ogen niet bepaald een compliment!)
Helaas overleed mijn opa op redelijk jonge leeftijd, ik was toen 11 jaar. Na de dood van mijn oma had hij geen plezier meer in het leven en de combinatie met longkanker heeft er voor gezorgd dat hij een aantal jaren na haar stierf.

Mijn vader

Mijn vader groeide op in Stadskanaal voormalig gemeente Onstwedde met zijn zus Gretha. Veel geld was er thuis niet, maar er werd altijd hard gewerkt en voor veel dingen werd er wel een creatieve oplossing gevonden.

Opa Michalski was niet altijd even gemakkelijk in de omgang. Hij kon prima geld uitgeven voor dieren en voer terwijl er dan niets meer was om eten te kopen voor het gezin. Werd er geslacht? Opa gaf bijna al het vlees weg aan buren, vrienden en kennissen, want hij wou een goed gastheer zijn. (Hij wou graag geaccepteerd worden en deed daar graag een stapje extra voor. Helaas werd er vaak misbruik van hem gemaakt.) 

Helaas, het gezin zag dan bijna niets meer van het gemeste varkentje of de geslachte kip. Dit zijn natuurlijk maar kleine voorbeelden maar laten we het erop houden dat het voor mijn vader en zijn moeder niet altijd even gemakkelijk was.

Opa had als oorlogssoldaat een behoorlijk trauma en kon ook heftig reageren. Vroeger werd er niet over gevoelens gepraat, je ging gewoon door met je leven en je had simpelweg een moeilijk karkater!

Een andere naam

Mijn vader heeft in de jaren ‘70 en ‘80 via diverse instanties gezocht naar achtergebleven familie in Polen. Dit onderzoek heeft zo’n 10 jaar in beslag genomen, helaas hebben we nooit familie gevonden. We gingen er altijd maar vanuit dat iedereen dood was, gezien de enorme slachtingen van zowel de Duitse als de Russische kant.

Herbert Kasmaczek, een bevriende strijdmakker ging na de oorlog af en toe terug naar Polen en hij vroeg Paul: “Geeft me het adres van je familie en de namen dan ga ik voor je kijken of ze er nog zijn!” Herbert heeft dit een aantal keren geprobeerd. 

Tijdens zijn bezoeken aan het communistische Polen (onder Russische invloed) vroeg hij rond naar de familie Michalski. Nadat Herbert niets vond op de opgegeven adressen en toch bleef rondvragen, werd het voor hem gevaarlijk in Polen. Na een aantal pogingen is Herbert hiermee gestopt… Paul gaf iedere keer een vals adres op of namen van mensen die niet bestonden. Was hij nog steeds bang voor represailles? Was het zijn oorlogstrauma? Was iedereen dood of had hij een verleden dat hij graag wou vergeten? We weten het tot de dag van vandaag niet.

Pseudoniem

Iets wat we nu wel weten en toen niet: De Polen hadden tijdens de oorlog ander documenten gekregen! Bang voor represailles van de Russen of de Duitsers vochten veel Polen onder een pseudoniem. 

Tijdens de opbouw van het Poolse leger in Engeland had Paul de naam MICHALSKI gekregen. Inmiddels weten we onze echte naam wel, maar helaas hebben we al die jaren tevergeefs gezocht naar familie.

Strijdmakkers

Iedere zondagmiddag kwamen een groepje oud strijders bij mijn opa op visite om gezellig te kaarten. Het groepje bestond uit: Adam Gazula (Winschoten), Sokowlowski (Bellingwolde), Herbert Kasmaczek (Ter Apel), Anton Joganiac (Deventer) en Victor Roelotovski (Pekela) (Waarschijnlijk schrijf ik de namen niet goed.)

Normaal werd er met het gezin niet over de oorlog gepraat maar als deze mannen bij elkaar kwamen, kwamen de smeuïge verhalen boven tafel. Het dansen in Hotel Boschhuis, de sterke verhalen over knokpartijen en mijn opa die na een ruzie door het raam van hotel Boschhuis naar buiten sprong omdat hij geen pak slaag wou hebben van de Military Police.

Natuurlijk werden er ook andere, serieuze zaken besproken, maar altijd zo dat het gezin er niets van mee kreeg. “Echte vechters praten niet, de oorlog is verschrikkelijk daar praat je niet over!”
Deze mannen zijn nooit herdacht of genoemd tijdens een 4 Mei herdenking, terwijl ze toch echt zwaar gevochten hadden onder generaal Maczek met de Eerste Poolse Pantserdivisie.

Van zijn strijdmakkers weten we dat Paul meerdere keren zwaar gewond geraakt is tijdens gevecht, maar hij heeft het ons persoonlijk nooit verteld. Maar goed, de mannen hebben nooit om aandacht gevraagd of überhaupt gekregen en wouden gewoon geaccepteerd worden door de samenleving, tot dat…..

Aandacht voor Polen

Eind jaren 80/begin jaren 90 kwam er ineens aandacht voor de Polen tijdens 4 en 5 Mei. Hoe geweldig was dat! Maar wie betrad het voetlicht? Een “Poolse oudstrijder” die altijd gelogen had over zijn afkomst (Oekraïne) en die nooit gevochten had! De “echte” strijders waren verbolgen!

Ach ja, zo gaat het altijd toch? Na de oorlog zijn er altijd meer verzetsstrijders dan tijdens de oorlog…. Toch?

Toen de oud-strijders nog leefden hield deze persoon zich nog in, maar toen de meesten eenmaal dood waren, werden de meest fantastische verhalen verzonnen – tot grote ergernis van de nabestaanden. Tegenwoordig kan ik me daar iets beter bij neerleggen, maar iedere 4 en 5 Mei is het even weer een oude wond die wordt opengetrokken.

Gisteren heb ik, Sasja Michalski, eindelijk het verhaal van de Polen mogen vertellen tijdens een 4 Mei herdenking. Geen persoonlijk ver-romantiseert verhaal maar gewoon een paar feiten op een rijtje waarom het zo triest is dat we de Polen al die jaren zijn vergeten. Ze hebben een ongelofelijk groot offer gebracht. Dit is wat ik heb verteld:

Polen en de oorlog in hele grote lijnen

Polen was in 1939 het eerste land dat door nazi-Duitsland werd aangevallen en nog geen tien dagen later werden ze in de rug aangevallen door de Sovjets, ik noem ze voor het gemak even “De Russen”. 

Polen werd letterlijk geplet tussen twee grootmachten. De Polen werden gezien als “der Untermensch” en zo werden ze ook behandeld. De Duitse bezetting was een waar schrikbewind met buitengewoon harde represailles. Liquidaties waren er dagelijks voor kleine vergrijpen. Het doel was de volledige ontmanteling van de Poolse staat en dit deden ze door het vervolgen en massaal vermoorden van alle ongewenste personen.

De rol van de Sovjetunie

De Russen hadden een zelfde soort tactiek, mensen met belangrijke beroepen of functies werden massaal opgepakt en in executiekampen geplaats. Ze stierven van ontberingen in de goelag, werden opgesloten in schepen en op volle zee verdronken of werden neergeschoten in massagraven langs de grens. Naast 3,5 miljoen Poolse Joden zijn zo ruim 2,5 miljoen Poolse burgers vermoord en dit alles voordat de holocaust begon!

Een nieuw Pools leger

Toch wisten honderdduizenden Polen deze horror te ontsnappen. Via allerlei omwegen verzamelden ze zich en vormden een nieuw Pools leger. Ze vochten tegen de Duitsers in Frankrijk en helaas was dit een nederlaag. Maar ze verzamelden zich opnieuw en gingen naar Engeland. Er waren Poolse vrijwilligers van over de hele wereld naar Engeland gekomen om te strijden voor een VRIJ Polen. Uit liefde voor vaderland, vrienden en familie.

De Poolse pantserdivisie

In Schotland werd uiteindelijk de eerste Poolse pantser divisie opgericht onder leiding van generaal Mazcek. 

Na een periode van twee jaar opbouw was de Poolse pantserdivisie gereed voor een offensieve inzet in west Europa. Ze hadden op dat moment een sterkte van 14.000 mannen, dat was weinig maar ze hadden wel moderne wapens.

In augustus 1944 landden ze op het strand van Arromanches in Normandië en nog geen tien dagen later vochten ze met de Canadezen aan het front! Hun doel was om de Duitsers te omsingelen en te voorkomen dat ze zich terug trokken. Helaas is de Poolse pantser divisie daar zelf omsingeld geraakt en hebben ze hevige verliezen geleden. Uiteindelijk is de missie toch geslaagd en na het terugtrekken van de Duitser trokken de Polen vechtend op naar het Noorden.

Op naar Nederland

In een kort tijdsbestek trokken de Polen door Frankrijk en België naar Nederland. In oktober 1944 kwamen ze aan in Breda. De Bredase bevolking was erg verbaasd om Polen te zien in plaats van Canadezen of Amerikanen. En vroegen ze zich af, hoe kan het dat de Polen hier zijn om ons te bevrijden terwijl hun eigen land nog bezet is en zoveel verliezen leidt?

En nu naar Polen?

Na de bevrijding van Breda dachten heel veel Polen dat ze via Duitsland naar Polen zouden trekken om hun eigen land te bevrijden. De voorliefde van voor hun vaderland lieten ze merken bij het herstellen van iedere brug, ze plaatsten dan op de zijkant van de brug: “Het is nog zoveel kilometer tot Warschau.” Ja de Polen waren aan het aftellen!

Helaas, een dubbele teleurstelling. Het front kwam tot stilstand in Breda en de Polen voerden bewakingsdienst uit aan de Maas. Daarnaast was een grote opstand in Warschau neergeslagen. De Duitsers hadden de stad verwoest, belangrijke gebouwen opgeblazen en 60.000 mensen geliquideerd. Gelukkig kon er een deal gemaakt worden voor de overige krijgsgevangen en werden zij in een kamp geplaats.

Toch kunnen de Polen zich na deze tegenslag weer oppakken en op 5 april krijgen ze  het order om op te trekken richting Noord-Nederland. Al vechtend trekken ze langs de Nederlands/Duitse grens richting Groningen en Drenthe.

Hoe groot is hun blijdschap als ze op 12 april het krijgsgevangenkamp Oberlangen bereiken. Daar vinden ze ruim 1.700 vrouwen die gevangen genomen zijn tijdens de opstand van Warschau!

Het leger trekt nog door richting Willemshaven en op 5 mei, om ongeveer 8 uur in de morgen, is de oorlog ineens over, Duitsland capituleert!

Poolse jonge vrouwen in Kamp Oberlangen, vlak na de bevrijding. Fotograaf onbekend, Wikimedia Commons

De oorlog is over en nu?

Het leger kon niet terug naar Polen en werd ontbonden in 1946. Tijdens de conferentie van Jalta bespreken Roosevelt, Churchill en Stalin de toekomst van Europa. Het rode leger heeft op dat moment bijna heel polen veroverd en er wordt besloten dat Rusland het veroverde Polen mag houden. Stalin is vastbesloten om te blijven en zo krijgt Polen een nieuwe bezetter. De Britten en de Amerikanen waarmee de Polen samen hebben gevochten hebben HUN vaderland verkocht.

Kunt u zich dat voorstellen?  De Polen die hun vaderland wilden bevrijden, hebben gestreden voor vele andere landen en uiteindelijk werden ze verkocht door hun medestrijders?

“Voor u en onze vrijheid!” was hun kreet…. Nou vergeet dat “onze vrijheid” maar…. bijna 6 jaar vechten, veel verliezen en geen vrij Polen?

Tussen 1945 en 1949 worden 240.000 Poolse strijders gedemobiliseerd. Maar terugkeren naar het Poolse vaderland dat was een moeilijk punt. De Russen hadden het Poolse bestuur geïnstalleerd en deze waren vijandig gezind tegenover de “Vrije Polen” die met de geallieerden gevochten hadden.

Nooit meer terug

Het was een laste keuze; terugkeren naar een verwoest Polen, met de mogelijkheid van de terreur van de stalinistische communisten of een nieuw leven opbouwen in het westen zonder je familie.

Vroeg teruggekeerde Poolse strijders waren van de aardbodem verdwenen, teruggekeerde Poolse officieren werden gearresteerd, gevangen gezet of geëxecuteerd. Sommige werden gevolgd door de geheime dienst. 

De Poolse strijders werden door de Poolse communistische regering betiteld als staatsvijand van Polen. De massale executies van Polen aan het begin van de oorlog stonden nog vers in het geheugen van de Poolse strijders en dit heeft velen van hen doen beslissen hier in Nederland te blijven.

Hoe was het voor Paul Michalski?

Paul heeft natuurlijk niet veel over de oorlog verteld, maar een aantal dingen heeft hij wel losgelaten. Hij was vreselijk trots dat hij VRIJWILLIG het leger was ingegaan om zijn land te dienen en te bevrijden. Via Frankrijk is hij in Engeland terecht gekomen. Daar heeft hij zijn nieuwe naam gekregen en is hij eerst getraind als parachutist. Na een paar keer een vervelende landing besloot hij dat het springen niks voor hem was en sloot hij zich aan bij de Eerste Poolse Pantserdivisie.

Van de oorlog zelf weten we alleen verhalen van zijn strijdmakkers en uit externe bronnen. Lange tijd hebben ze in Ter Apel verbleven, waar mijn opa uiteindelijk ook mijn oma leerde kennen.

Na de oorlog was het niet makkelijk, de Polen mochten blijven en konden aan het werk in de mijnen of misschien in een fabriek. Een uitkering was er niet en ook geen hulp op mentaal vlak.

Het was vechten om te overleven en dat konden de Polen natuurlijk wel. Ze waren als late tieners uit hun land weggetrokken en hadden vaak geen opleiding kunnen afronden waardoor ze alleen laaggeschoold werk konden doen.

Mijn opa begon met het werk in de mijnen, daarna de hoogovens en de stro karton fabriek te Gasselternijveen. Allemaal zwaar werk voor weinig geld. Wat waren hij en zijn familie blij met de komst van Philips in Stadskanaal! Hier kon hij aan het werk als monteur en ging hij van een loon van 7 gulden per week naar 75 gulden per maand!

Statenloos

Doordat Polen een Stalinistische communistische regering had, kon mijn opa niet terug naar zijn land. De Poolse oud-strijders werden als landverraders gezien. Erg wrang natuurlijk, ze waren vrijwillig het leger in gegaan om Polen te bevrijden en hebben veel landen bevrijd, behalve Polen!

Mijn opa was koppig, trots en het kostte toentertijd ook te veel geld om te naturaliseren, mijn opa werd STATENLOOS. Elk jaar moest hij een vreemdelingen pas aanvragen bij de ambassade en zo kon hij weer eens over de grens of boodschappen doen in het buitenland.

Hij riep altijd: ”Ik ben geboren als Pool en ik zal sterven als Pool!”

Uiteindelijk is dat niet gelukt hij is in 1982 Nederlander geworden. In 1989 is het eindelijk veilig om terug te keren naar Polen. Paul heeft dit echter niet meer mee gemaakt, hij stierf in het jaar 1989.

Toespraak Albert Schut over Berend Klaas Bosma – Dodenherdenking 20205

Toespraak Dodenherdenking 2025 door kleinzoon van verzetsman B.K. Bosma

Op 4 mei 2025 verzamelden de inwoners van Nieuwolda om 19 uur op het B.K. Bosmaplein. Morgen zouden we 80 jaar vrijheid vieren, maar vandaag wilden we stilstaan bij de mensen die hun leven gaven voor onze vrijheid. Een van die mensen was verzetsman Berend Klaas Bosma uit Nieuwolda.

Door Sabine Kokee, 13 mei 2025

Zo’n 120 mensen waren aanwezig toen Klaas Bellinga namens het 4-5 mei Comité het woord gaf aan Albert Schut, de kleinzoon van verzetsman Berend Klaas Bosma. 

Veel dorpelingen waren ontroerd door de impact die het verzet en de dood van zijn opa op Albert Schut nog altijd heeft. Je kon een speld horen vallen tijdens zijn verhaal op deze gedenkwaardige plek.

Het verhaal van Albert Schut

Mijn opa Berend Klaas Bosma

Door de organisatie ben ik gevraagd het woord te nemen op de dodenherdenking 2025 hier in Nieuwolda op het Berend Klaas Bosmaplein, vernoemd naar mijn Opa.

Mijn naam is Albert Schut. Ik ben vernoemd naar mijn Oom, Albert Bosma, die het niet kon verdragen dat zijn vader, Berend Klaas Bosma, verraden werd en door zijn overtuiging om te vechten tegen onrecht en tirannie, dit met de dood heeft moeten bekopen. Nooit is achterhaald wie de verraders waren. Tijdens de herbegrafenis van zijn vader, Berend Klaas Bosma, hier in Nieuwolda stond mijn Oom met een ronkende motor aan de rand van de begraafplaats zijn woede te uiten daarover, kort daarna is hij naar Canada geëmigreerd.

Albert Schut

In mijn jeugdjaren leek het wel een spannend jongensboek waar ik niet genoeg van kreeg. Opa had zelf een bunker gebouwd in de tuin…..Er was op het land een geallieerde bommenwerper neergestort…..Tijdens de laatste gevechten gevlucht met paard en wagen naar Midwolda terwijl de bommen over hun heen vlogen, wat een tijd moet dat zijn geweest.

De ondergrondse van Nieuwolda

Mijn Opa, Berend Klaas Bosma, was plaatsvervangend groepscommandant van de ondergrondse in Nieuwolda. Wat hij allemaal heeft gedaan is niet helemaal duidelijk maar hij hielp onder andere neergeschoten vliegeniers en onderduikers. 

Verraden

Eind 1944 toen het hem te heet onder de voeten werd, hij werd toen zelf gezocht door de Duitsers, zat hijzelf ondergedoken. Omdat de bevrijding van Noord Nederland nog een tijd op zich liet wachten is hij op een dag terug gegaan om te kijken hoe het met zijn vrouw, kinderen en de boerderij was. Eenmaal thuis besloot hij de nacht te blijven en dat liep fout af, verraden. 

Berend Klaas Bosma

Verhoord, gemarteld en gefolterd

Verstopt onder het hooi hebben ze hem uiteindelijk gevonden en naar Winschoten gebracht. Daarna naar het Huis van Bewaring in Groningen en verhoord, gemarteld en gefolterd in het beruchte Scholtenshuis op de Grote Markt.

 

Uiteindelijk is hij met 9 anderen op 8 April 1945, zonder iemand verraden te hebben, in een truck gezet en afgevoerd naar de bossen van Anloo waar ze alle 10 gefussileerd zijn. Het wrange is dat er dit zelfde bos al geallieerde verkenners aanwezig waren, op nog geen kilometer afstand, helaas kwam dat voor hun te laat.

Het Scholtenhuis in 1942, hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst. Foto: Beeldbankgroningen.nl (1785-15502).

Certificaat voor redden ‘Airmen’

Na de oorlog kwamen geallieerde vliegeniers hun dank betuigen op de boerderij. Oma en de kinderen wisten van niks, Opa sprak daar niet over en niemand sprak Engels van de familie, het was een beetje een genante vertoning. 

Van de Britse en Amerikaanse regering kreeg Opa postuum onderscheidingen voor de geboden hulp.

Herdenken

Mijn moeder, Aaltje Pieterdina Bosma, praatte nooit over de oorlogstijd en ging op een enkele keer na niet naar herdenkingen. De periodes van de herdenkingenen waren altijd een rottijd voor haar. Ik herinner me nog wel dat mijn ouders ons een keer meenamen naar Anloo, om de gedenksteen te laten zien. 

Mijn broer en ik op zoek, in de bossen, naar de kuil waarin Opa dood gelegen moest hebben, natuurlijk niet wetende hoe erg dit geweest moet zijn voor mijn moeder, ze had een enorm oorlogstrauma. Gelukkig hebben we onze moeder een paar jaar geleden nog meegenomen naar hier tijdens de Dodenherdenking. Dit naar aanleiding van de boeken van Cees Stolk over Nieuwolda in oorlogstijd, die voor haar therapeutisch gewerkt hebben, ze heeft nog oude schoolvrienden en kennissen ontmoet, gelachen, en zoals ze zelf zei: “hiermee is voor mij de cirkel rond”.

Herdenking Anloo

Vandaag, 4 mei, herdenken we. Het is mooi om te zien dat jongere mensen hier ook bij stil staan. In Anloo, op de plek waar mijn Opa gefussileerd is, staat een gedenksteen, geadopteerd door de plaatselijke basissschool, en er ligt of staat altijd een bloemetje, ze worden niet vergeten. In Groningen loop je vanaf het huis van bewaring langs het “joods monument”, door het centrum, langs het voormalig Scholtenshuis naar het Martinikerkhof en het is elk jaar zo druk, en er is zoveel jeugd. 

De gedenksteen in het Evertsbos in Anloo.

Ik heb vandaag mijn zoon Dani van 9 jaar mee, hij deelt dezelfde intresse als mij over wat er allemaal gebeurt is. Onnadenkend laat ik Dani het journaal meekijken en hij ziet de verschrikkingen in de Oekraine en de witte lakens over de dode mensen in Gaza, of het de gewoonste zaak van de wereld is, en helaas is dat ook zo. 

De oorlog is dichtbij, de klok op het graf van mijn Opa, Berend Klaas Bosma, hier in Nieuwolda staat niet meer alleen voor de symboliek op 5 voor 12. Voor mijn zoon en voor alle jonge mensen hoop ik dat er altijd “helden” zullen blijven bestaan zoals mijn Opa, Berend Klaas Bosma, vechtend voor onze vrijheid.

Ik ben begonnen met me voor te stellen en ik wil graag eindigen met te zeggen dat ik ook nog een 2e en 3e naam heb, Berend Klaas, en daar ben ik heel trots op.

Poolse bevrijders sneuvelen in Nieuwolda, Oostwold en ’t Waar

De Poolse bevrijders wier namen staan op de plaquette van de kerk in Nieuwolda

‘’De oorlogsvlam maakt dat de menschen als verscheurende dieren tegenover elkaar staan.’’

Aan de westgevel van de hervormde kerk van Nieuwolda hangt een duidelijk zichtbare plaquette: witte letters op een zwarte ondergrond.

Door Cees Stolk, april 2025

Vijf namen vermeldt de gedenkplaat, Alfred Czesny, Jan Dobras, Leon Gajdzik. Augustyn  Grutza en Brunon Stolp, viif Polen die in de nadagen van de oorlog in Noord-Nederland tijdens de opmars van de geallieerden het leven lieten. Voor altijd staan hun namen in de herinnering gegrift of zoals het bijschrift luidt: ‘Zolang een naam nog bestaat wordt een mens niet vergeten.’

Met speciale dank aan Menso Bult voor het maken van de trap in de bunker.

Poolse bevrijders sneuvelen in Nieuwolda, Oostwold en ‘t Waar

Alle vijf sneuvelen een paar dagen voor de bevrijding. Leon Gajdzik (22 jaar) in Nieuwolda, Jan Dobras (39 jaar)  in ’t Waar, Alfred Czesny (22 jaar) in Zuidlaren, Augustyn  Grutza (19 jaar) in Oostwold en Brunon Stolp (31 jaar), ook in Nieuwolda.

Op de plaquette staat bij laatstgenoemde Meppen (Dld), maar daar is hij later begraven. Wie waren die mannen die ver van huis hun leven gaven voor vrede en veiligheid?

De plaquette op de kerk van Nieuwolda
Jan Dobras (1905-1945)

Jan Dobras

Van een van hen, Jan Dobras (1905), is iets meer bekend dan zijn naam. Hij groeit op in het dorp Raduczyce in het zuidoosten van Polen, ten noorden van Krakau. Een armoedige streek van keuterboertjes en een machtige katholieke kerk die zich alleen bekommert om het zielenheil van de bevolking en geen oog heeft voor de bittere armoede van de gelovige schare. 

Vanwege die nooddruft emigreren veel Polen nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog westwaarts, naar de Verenigde Staten, maar ook naar Frankrijk om daar te werken in de kolenmijnen. Zelfs in Luimburg strijken Poolse mijnwerkers neer.

Ook Jan Dobras verlaat het land maar dat heeft een trieste reden. Zijn vrouw sterft in 1932 en een jaar later ontmoet hij iemand die in Frankrijk als schilder werkt en hem aanmoedigt ook te vetrekken. Voor Jan geen moeilijke keuze. Hij heeft kind noch kraai, verkoopt zijn huisraad en settelt zich op 28-jarige leeftijd, ergens in Frankrijk. Waar is onbekend.

Het Poolse leger

In de jaren daarna wijken meer Polen uit, vooral als Hitler op 31 augustus 1939 Polen binnenvalt. De Poolse regering gaat in ballingschap in Frankrijk en formeert onder leiding van toen generaal Sikorski een leger van ruim 100.000 man.  Na de inval van de Duitsers sluiten de Polen sluiten zich aan bij het Frans verzet maar 17 juni 1940 geven de Fransen zich over en vluchten de Polen alle kanten op. Via de Pyreneeën en Spanje komt het merendeel aan in Engeland waar zij zich melden bij de geallieerden.

Dobras is één van hen. Vrijwillig gaat hij in het verzet en wordt ingedeeld bij een internationaal bataljon. Als Noorwegen verzeild raakt in de Tweede Wereldoorlog vertrekt zijn bataljon naar Schotland om vandaar uit de Noren te helpen de Duitsers te weerstaan. Zij aan zij vechten de Polen met de Engelsen om Narvik te verdedigen maar het blijkt een hopeloze strijd. Op het slagveld laten 79 Poolse strijdmakkers van Dobras het leven en dus keren de Polen op een Brits schip terug, niet naar Schotland maar naar Frankrijk, naar St. Malo, naar Bretagne om daar de strijd voort te zetten.

De Polen leveren slag bij Duinkerken maar delven met hun Franse en Engelse collega’s het onderspit. Zij keren halsoverkop terug naar Engelse bodem. De spectaculaire evacuatie naar het thuisland is later meermalen verfilmd en te boek gesteld. In mei/juni 1940 halen de Engelsen een huzarenstukje uit door bij Duinkerken bijna 350.000 soldaten in schepen overzee te evacueren. Alles wat kan drijven in Zuid-Engeland wordt gemobiliseerd: oorlogsbodems, handelsschepen, kotters, zeilboten enzovoort. Honderden ‘little ships’, die zich nog nooit meer dan een paar mijl van de kust hadden gewaagd, nemen deel aan dit avontuur.

Een wereldreis langs de slagvelden

In de komende vijf jaar van de oorlog maken Dobras en zijn Poolse kameraden een ‘wereldreis’ langs de slagvelden. Hun opleiding krijgen zij eerst in het Schotse Lanark vlakbij Glasgow. Nog voor de invasie juni 1944 in Normandië stort het vliegtuig van generaal Sikorski neer in zee. Als nieuwe bevelhebber wordt kolonel Stanislaw Maczek benoemd. Hij zal degene zijn onder wiens leiding de Polen Nederland bevrijden. In totaal hebben 200.000 Polen meegevochten aan geallieerde zijde.

De Polen mengen zich in de strijd als zij aan het eind van de oorlog in juli 1944 landen in Normandië waar de Amerikanen en  Engelsen al met een grootscheepse invasie Europa willen bevrijden. Hevige gevechten vinden plaats op Frans grondgebied. In Normandië laten 2000 Polen het leven. Maar ondanks dat enorme verlies stomen de geallieerden door naar België en in september bereiken zij de grens met Nederland en leveren slag in Zeeuws Vlaanderen en daarna in Noord-Brabant. In Breda houden de geallieerden halt en komen even op adem. Ook Jan Dobras ’geniet’ van die pauze voordat hij aan zijn laatste reis begint naar Noord-Nederland.

Samenwerking Canadezen en Polen

Begin april 1945 sluiten de Polen zich onder leiding van de legendarische generaal Stanislaw Maczek aan bij het 2e Canadese leger en gaan op weg naar het Noorden. Via Emmen bereiken zij op 11 april Ter Apel en twee dagen later komt Winschoten in het vizier. Op zondagmorgen 15 april formeert de groep zich bij schitterend lenteweer bij Noordbroek en wil via Nieuw-Scheemda en Nieuwolda doorstoten naar Delfzijl.

Bevrijding Nieuw-Scheemda en ’t Waar

Jan Dobras nadert met een tankeenheid het tweeling dorp Nieuw-Scheemda en ’t Waar. De bevolking is euforisch. De dorpelingen hollen naar buiten om de bevrijders te verwelkomen maar omstreeks een uur of negen treft een vuurregen het dorp en ook de bevrijders. Het konvooi wordt verrast. Vier dorpelingen onder wie een kind van negen jaar zijn slachtoffers van het geschut vanuit de kustbatterij bij Fiemel, Jan Niewold (49), zijn broer Hendrik (47), smid Kraaijema (42) en het 9-jarig jongetje Jan Hartman en Jantje Hofman (49) die bij de familie Hartman logeert.

Monument Nieuw Scheemda / 't Waar

Bevrijding Nieuw-Scheemda en ’t Waar

Jan Dobras nadert met een tankeenheid het tweeling dorp Nieuw-Scheemda en ’t Waar. De bevolking is euforisch. De dorpelingen hollen naar buiten om de bevrijders te verwelkomen maar omstreeks een uur of negen treft een vuurregen het dorp en ook de bevrijders. Het konvooi wordt verrast.

Vier dorpelingen onder wie een kind van negen jaar zijn slachtoffers van het geschut vanuit de kustbatterij bij Fiemel, Jan Niewold (49), zijn broer Hendrik (47), smid Kraaijema (42) en het 9-jarig jongetje Jan Hartman en Jantje Hofman (49) die bij de familie Hartman logeert.

Dodelijk getroffen

Ook korporaal Jan Dobras wordt dodelijk getroffen. Hij is op slag dood, zijn kameraad Alfred Czesny (22 jaar) is zwaargewond en overlijdt twee dagen later in Zuidlaren in een veldhospitaal. Leon Gajdzik (1922) overleeft de vuurzee maar sneuvelt op 19 april alsnog bij de bevrijding van Nieuwolda. De Polen groeperen zich bij de boerderij van nu Udo Roelofs. Soldaat Gajdzik gaat op verkenning uit langs het Termunterzijldiep richting Scheve Klap. Maar halverwege doodt heftig artillerievuur van de Duitsers hem. Brunon Stolp sterft ook in Nieuwolda, op 18 april ‘’aan het kanaal’’ zoals,  de Poolse oorlogsgravenstichting vermeldt.

 

Augustyn Grutza

Zijn kameraad Augustyn  Grutza (1926) komt een dag eerder om het leven in Oostwold. Aanvankelijk worden de Pools bevrijders ter plaatse ter aarde besteld maar later krijgen zij een laatste rustplaats op het ereveld in Breda.

Generaal Maczek

Generaal Stanisław Maczek onder wiens commando de bevrijders staan, overleeft.

Hij wordt op 102-jarige leeftijd in 1994 overeenkomstig zijn wens bij zijn mannen in Breda begraven.

’t Waar

In het dorp ’t Waar komt de dood van vijf dorpelingen hard aan. Schrijver en dichter Wiert Jacob Eelsema, zelf afkomstig uit ’t Waar, maakt de tragiek van dichtbij mee. Hoewel hij tijdens de laatste dagen van de oorlog in Hoogezand verblijft, keert hij vanwege het dreigend oorlogsgeweld echter terug naar zijn geboortedorp, niet wetende dat daar juist de strijd in alle hevigheid ontbrandt en dat Hoogezand ongemoeid wordt gelaten. Hij is getuige van de felle gevechten en houdt een dagboek bij dat hij later in de Scheemder Courant publiceert:

“Ik vlucht naar het dorpje ‘t Waar. Niet vermoeden kon ik dat juist daar de strijd zou ontbranden en Hoogezand zonder slag of stoot bevrijd zou worden.”

Hij maakt de tragische dood van een jongetje mee en dat brengt hem danig van zijn stuk:

“Wat ik zie is verschrikkelijk. Het kind dat misschien tien jaar oud is heeft een dik stuk hout midden in het voorhoofd. Dit kind valt niet meer te redden. Hier sta ik tegen de onmenschelijke wreedheid van de oorlog. Ik neem de handjes in de mijne en zeg zachte, troostende woorden. Ik sta radeloos. Ik moet mij beheerschen, zou echter het liefst willen huilen….Oorlog is dit! Oorlog zoals niemand die dit niet heeft meegemaakt, het zich kan indenken…”

Het is hem zwaar te moede als hij tot slot concludeert:

“Ik wend mij af. Ik kan het niet langer aanzien. De wereld kon zoo goed zijn en wat hebben de menschen ervan gemaakt. De oorlogsvlam is over de geheele aardbol geslagen en maakt dat de menschen als verscheurende dieren tegenover elkaar staan.”

Twee dagen na de dood van de bevrijders moet op last van  burgemeester Cleveringa het dorp Nieuwolda evacueren en begint voor de bewoners een trektocht in het ongewisse. Een deel zwermt uit via de polders naar Termunten en Midwolda, anderen kiezen voor een uitweg naar Siddeburen en zo verder.

Lees over de tocht door de polders het dagboek van Trijntje Boven, beschreven in het boek Dorp in oorlogstijd.

 

Bronnen

  • Memento Kazimierz Zalcer & Jan Dobras, Dietert Grimmius, 1998
  • Tussen ’t Zieldaip en ’t Grootmoar. Commissie Fotoboek Nieuw-Scheemda/’t Waar, 1985
  • “Maar verder is hier niks gebeurd..”. J. Bakker 1995

Opening bunker 5 mei 2025

'Opening' bunker op 5 mei 2025

Velen hebben ze gespot: de militairen van de 103e Constructie compagnie van het 101e Geniebataljon uit Wezep, die in september 2024 hun kamp hadden opgeslagen in Nieuwolda. Legervoertuigen reden af en aan. Ze waren in Nieuwolda voor het opnieuw toegankelijk maken van een kleine privébunker.

Door Sabine Kokee, 2 mei 2025

De militairen die in Nieuwolda waren neergestreken hebben als oefening in het ‘bouwen’ de bunker in de tuin van de Hoofdstraat 119 toegankelijk gemaakt voor publiek. Daarna heeft Stichting Oorlogsverhalen gewerkt aan het toegankelijk maken van het terrein. Op 5 mei 2025 – wanneer we 80 jaar bevrijding vieren – wordt de bunker feestelijk opengesteld voor het publiek.

Tastbaar bewijs van de Tweede Wereldoorlog

Een kleine privébunker

Het is niet meer dan een betonnen bak, 3,5 bij 1,6 meter. Langwerpig, aan het zicht onttrokken door essen en half weggestopt onder een aarden wal. Een relikwie uit oorlogstijd, een schuilbunker, aangelegd door de bewoners van toen. Achttien meter uit de achtergevel van Hoofdstraat 119 in Nieuwolda valt het restant uit de jaren ’40-’45 amper op.

Deze schuilplaats is nog het enige restant dat in Nieuwolda als tastbaar bewijs overbleef uit die oorlogsjaren. De twee kazematten (bunkers) bij de brug over het Termunterzijldiep zijn opgeblazen en met de grond gelijk gemaakt. Niets herinnert meer aan de strijd die hier geleverd is. In enkele huizen nabij de brug zoals eetcafé De Brug, v/h pand Klei, zijn nog kogelgaten zichtbaar.

De bunker in Nieuwolda
De dan nog 'verstopte' bunker.

Compleet hersteld

Wat een ander gezicht is het nu! de militairen hebben heel wat bomen en struiken gekapt en grond weggegraven om de bunker weer in het zicht te brengen.

Deze werkzaamheden zijn gedaan in opdracht van Stichting Oorlogsverhalen Nieuwolda. 

Wat er nog niet was? Een trap om de bunker daadwerkelijk te kunnen betreden, want de vloer zit wel een meter diep onder de deuropening. Dorpsgenoot Menso Bult bood spontaan aan om die trap voor ons te maken. Dus op 5 mei 2025 kunnen we ook echt de bunker betreden!

De kleuren in de bunker zijn origineel. De militairen hebben nieuwe bankjes gemaakt die volgens de overlevering oorspronkelijk ook in de bunker stonden.
De militairen legden bestrating aan rondom de bunker.

Met dank aan…

Het herstel van de bunker is naast de inzet van de militairen mogelijk gemaakt door velen.

Met dank aan VTW Plaagdierbeheersing voor het beschikbaar stellen van het kampterrein en de ruimhartige financiële bijdragen van Leader Oost-Groningen, Stichting Fonds Eemsmond, Loket Leefbaarheid Groningen, Stilo Oldambt, Nationaal Programma Groningen, Vereniging Dorpsbelangen Nieuwolda en het Ministerie van Defensie!

Het herstel van de bunker is mogelijk gemaakt door:

Met speciale dank aan Menso Bult voor het maken van de trap in de bunker.

Achter de bunker staat een muurtje, zodat bezoekers zich niet kunnen verstappen en in de sloot belanden.
De militairen van de 103e Constructiecompagnie maakten een deur voor de ingang van de bunker met hun embleem en motto erop: "Wij gaan door waar anderen stoppen!".

Bevrijdingslezing

Bevrijdingslezing Cees Stolk

Vrijdag 2 mei 2025 | 20 uur | Gratis toegang

Op vrijdag 2 mei om 20:00 uur verzorgt schrijver en journalist Cees Stolk de Bevrijdingslezing, georganiseerd door het 4 mei comité Scheemda in samenwerking met de Nutscommissie ‘De Oldambtster Kring’. De lezing is in Herberg De Esborg in Scheemda. De toegang is gratis.

De gemeente Oldambt telt 26 straten die vernoemd zijn naar verzetsmensen. Over deze 26 verzetsstrijders schreef Cees Stolk het boek ‘Een doos vol verdriet’. Wie waren deze 26 verzetsstrijders? Waar bestond hun verzet uit en hoe zijn ze overleden?

En: Waren er nog meer verzetsstrijders in de gemeente Oldambt? De boeiende lezing van Cees Stolk in Scheemda zal 2 mei gaan over het onderzoek dat hij heeft gedaan naar of er nog meer mensen actief waren in het verzet. Hij vond tot zijn verrassing de gegevens van maar liefst 67 in de oorlog vermoorde personen uit de gemeente Oldambt. Vaak leden van bekende Oldambtster families.

Tijdens de lezing zal Cees Stolk ingaan op waar het verzet van al die 67 verzetsstrijders uit bestond, hoe ze zijn overleden of door de Duitsers zijn vermoord. Het boek is een uitgaven van Stichting Oorlogsverhalen Nieuwolda. Namens deze stichting zal Sabine Kokee foto`s laten zien van die overleden Oldambtster verzetsstrijders. 

Datum: vrijdag 2 mei 2025
Tijd: 20:00 uur
Locatie: Herberg De Esborg, Esbörgstraat 16 in Scheemda
Toegang: Gratis

Militairen knappen bunker op

Militairen knappen bunker op

Velen hebben ze gespot: de militairen die van 6 – 16 september 2024 hun kamp hadden opgeslagen in Nieuwolda. Legervoertuigen reden af en aan. En voor wie dacht dat het allemaal niet echt was… dat waren geen paintball-geweren!

Door Sabine Kokee, 16 september 2024

De militairen die in Nieuwolda waren neergestreken waren van de 103e Constructie compagnie van het 101e Geniebataljon uit Wezep. Ze hebben als oefening in het ‘bouwen’ de bunker in de tuin van de Hoofdstraat 119 toegankelijk gemaakt voor publiek. 

Tastbaar bewijs van de Tweede Wereldoorlog

Een kleine privébunker

Het is niet meer dan een betonnen bak, 3,5 bij 1,6 meter. Langwerpig, aan het zicht onttrokken door essen en half weggestopt onder een aarden wal. Een relikwie uit oorlogstijd, een schuilbunker, aangelegd door de bewoners van toen. Achttien meter uit de achtergevel van Hoofdstraat 119 in Nieuwolda valt het restant uit de jaren ’40-’45 amper op.

Deze schuilplaats is nog het enige restant dat in Nieuwolda als tastbaar bewijs overbleef uit die oorlogsjaren. De twee kazematten (bunkers) bij de brug over het Termunterzijldiep zijn opgeblazen en met de grond gelijk gemaakt. Niets herinnert meer aan de strijd die hier geleverd is. In enkele huizen nabij de brug zoals eetcafé De Brug, v/h pand Klei, zijn nog kogelgaten zichtbaar.

De bunker in Nieuwolda
De dan nog 'verstopte' bunker.

Bijna klaar

Wat een ander gezicht is het nu! de militairen hebben heel wat bomen en struiken gekapt en grond weggegraven om de bunker weer in het zicht te brengen.

Deze werkzaamheden zijn gedaan in opdracht van Stichting Oorlogsverhalen Nieuwolda. Het grootste deel van het werk is nu gereed. 

Wat rest is nog het maken van een trap om de bunker daadwerkelijk te kunnen betreden, want de vloer zit wel een meter diep onder de deuropening. Wanneer dat ook gereed is, organiseert de stichting een openstelling, zodat de inwoners van Nieuwolda een kijkje kunnen nemen in de bunker.

De kleuren in de bunker zijn origineel. De militairen hebben nieuwe bankjes gemaakt die volgens de overlevering oorspronkelijk ook in de bunker stonden.
De militairen legden bestrating aan rondom de bunker.

Met dank aan…

Het herstel van de bunker is naast de inzet van de militairen mogelijk gemaakt door velen.

Met dank aan VTW Plaagdierbeheersing voor het beschikbaar stellen van het kampterrein en de ruimhartige financiële bijdragen van Leader Oost-Groningen, Stichting Fonds Eemsmond, Loket Leefbaarheid Groningen, Stilo Oldambt, Nationaal Programma Groningen, Dorpsbelangen Nieuwolda en het Ministerie van Defensie!

Achter de bunker staat een muurtje, zodat bezoekers zich niet kunnen verstappen en in de sloot belanden.
De militairen van de 103e Constructiecompagnie maakten een deur voor de ingang van de bunker met hun embleem en motto erop: "Wij gaan door waar anderen stoppen!".

Omgekomen vliegenier Lenny Calderwood schreef laatste brief naar huis

Nieuwsbericht over de afscheidsbrief van Calderwood

Omgekomen vliegenier Lenny Calderwood schreef laatste brief naar huis

Na afloop van de 4 mei herdenking 2024 overhandigde Arie J.Koortens mij waardevolle documenten over een van de omgekomen zeven vliegeniers die begraven liggen op de begraafplaats in Nieuwolda, de Australiër Lenny Calderwood.

 

Door Cees Stolk, 25 juli 2024

Koortens, werkzaam in Singapore, maar toen verblijvend in zijn geboortedorp Schoorl, had via een collega, die weer familie was van Calderwood, die documenten in handen gekregen. Heel ontroerend was een kopie van de afscheidsbrief die de jonge Australiër naar huis schreef voordat hij op missie ging naar Nazi-Duitsland. Hieronder een uittreksel van deze documenten.

"To all my loved ones"

"Als ik moet sterven, spijt het me jullie niet weer te zien."

Zo begint Leonard John (Lenny) Calderwood op 13 augustus 1943 ’somewhere in England’ zijn afscheidsbrief naar huis, gericht aan zijn ouders Teresa en Clarrie in Opal St. Emerald in Queensland (Australië).

Len voor intimi treedt op 16 juli 1942 in dienst bij de RAAF (Royal Australian Air Force) en is dan 19 jaar oud. Hij is geboren op 19 november 1923 en ondergaat een intensieve training in Australië voordat hij op 25 mei 1943 scheep gaat naar het Verenigd Koninkrijk om deel te nemen aan de gevechten tegen de nazi’s. 

In een van zijn brieven schept hij tegen zijn tante op over zijn capriolen in de lucht zoals acrobatische salto’s. Dat gaat hem goed af, verzekert hij tante Eileen.

Na zijn opleiding tot vliegenier bezoekt hij zijn jongere broer Maurie die werkt bij de spoorwegen. Maurie (15 jaar dan)  is erg trots op zijn oudere broer als hij hem in uniform ziet. Hij wuift hem ook uit op het station van Rockhampton als hij een ’wereldreis’ gaat maken.

Leonard John (Lenny) Calderwood in zijn Australische RAAF-uniform.

Len wordt nagenoeg direct bij aankomst in het Verenigd Koninkrijk ingezet als boordwerktuigkundige bij vluchten naar Duitsland. In een brief aan zijn oom Jim Calderwood rept hij dat hij Berlijn (‘a hard target’) bombardeert maar dat zijn Lancaster door luchtafweergeschut geraakt wordt. Gehavend keert de bommenwerper terug op de basis in Engeland.

In de nacht van 22 op 23 april 1944 gaat het echter mis als de Lancaster L892, deel uitmakend van de Engelse RAF 463 squadron, op terugtocht van het Ruhrgebied in Duitsland bij Nieuwolda crasht.  Het toestel stort om 01.30 uur neer op het land van landbouwer Van Dockum (pal achter nu boerderij Hoofdstraat 120). Het is onduidelijk of Duits afweergeschut bij Fiemel het vliegtuig uit de lucht haalt of dat de Lancaster gewoon motorpech heeft en neerstort. De bommenwerper boort met de kop een enorm gat in de grond van drie meter diep en 8 meter in omtrek. Bij de crash komen zeven vliegeniers om het leven, drie Australiërs en vier Engelsen. Alle zeven, zo wil het officiële verhaal, zijn op slag dood en liggen begraven op het kerkhof van Nieuwolda.  Althans, dat is de gangbare versie. Later blijkt dat in het toestel ook nog een achtste militair heeft gezeten die de plaatselijke huisarts Gerrit Gerritsma weet te redden uit de vlammenzee. Normaliter telt een Lancaster zeven bemanningsleden, maar soms zit achterin een achtste man, meestal een radiotelegrafist die Duits verstaat. Dat is handig om de Duitse berichten te kunnen vertalen.

Gerritsma brengt de geredde man, vermomd als oud vrouwtje naar het academisch ziekenhuis in Groningen waar hij opknapt en daarna spoorloos verdwijnt. Waarheen? Huisarts Gerritsma doet nog een poging om naam en adres van de vlieger te achterhalen maar zijn zoektocht strandt. Helaas, vinden de kinderen Gerritsma (lees dit verhaal hier).

Het graf van de inzittenden van het neergestorte vliegtuig
Het gezamenlijk graf van de zeven vliegeniers op de begraafplaats van Nieuwolda. Op het stenen muurtje is de foto van Lenny Calderwood bevestigd.

De Duitsers staan toe dat de stoffelijke resten van de bemanning op het kerkhof van Nieuwolda worden begraven. 

Na de crash krijgt de familie Calderwood in Australië op 27 april 1944 een telegram dat hun zoon vermist wordt bij terugkeer naar de basis. Op 17 februari 1945 schrijft de RAAF onomwonden dat alle hoop om Calderwood op te sporen is vervlogen. In diezelfde brief maakt de RAAF gewag van het feit dat van de bemanning twee lichamen zijn geborgen, die van navigator Hubert Thomas Petts en sergeant Harry Steels. Len’s vader vraagt of de RAAF de plaats kan geven waar de lichamen zijn geborgen en of er een spoor van hun Lancaster is gevonden. 

In december 1945 schrijft de burgemeester van Nieuwolda, Gerhard Hindrikus Post Cleveringa, aan de familie dat de stoffelijke resten die in en rond het wrak zijn gevonden gezamenlijk zijn begraven op de begraafplaats. In november 1951 brengen Agatha en John Coppe, een Nederlandse collega van Lenny’s broer Maurie, een bezoek aan Nieuwolda. Aan de ouders van Calderwood berichten zij dat het graf er goed verzorgd uitziet. Maurie zelf komt in 1960 naar Nieuwolda en ontmoet dan de familie Van Dockum op wiens land de Lancaster neerstortte.

’Stem uit het graf’

De laatste brief naar huis van Len Calderwood toont zijn onverschrokkenheid. Hij is niet bang, weet wat hem te wachten kan staan. Het is gebruikelijk dat vliegeniers voordat zij beginnen aan een gevaarlijke missie een afscheidsbrief naar huis sturen. Voor het geval hun toestel wordt neergehaald. De laatste brief van Lenny Calderwood aan zijn ouders is bewaard gebleven.

“This letter to be posted only in the event of my death.”

De afscheidsbrief van Lenny Calderwood
De afscheidsbrief die Lenny Calderwood naar huis schreef.

Op 13 augustus 1943 overhandigt hij dit epistel aan drie instanties, het Leger des Heils, de YMCA (christelijke jeugdorganisatie) en  het Australian Comfort Fund. Hij verzoekt de drie instanties: “This letter to be posted only in the event of my death.”Voor het geval hij het leven laat bij een missie moeten zij de brief op de post doen naar zijn ouders in Australië.

Hij valt meteen met de deur in huis als zijn eerste zin luidt: “Als er iets met me gebeurt zal deze brief naar jullie worden gepost. Het is een soort stem uit het graf, daar wil ik niet melodramatisch over doen. Ik besef volledig het risico dat ik draag. Ik aanvaard dat met open ogen en als ik moet sterven dan spijt het me dat ik jullie nooit meer zal zien. Echter, wat moet gebeuren, moet gebeuren en niets kan mijn besluit terugdraaien.”

Lenny schrijft over de alledaagsheid van zijn jonge leven en  haalt een herinnering op aan hem en zijn jongere broer Maurie die geen zoethout lust.

En hij denkt terug aan de jacht van zijn vader om een konijn te vangen. Maar daarna zijn zijn woorden ernstig van toon. “Het klinkt misschien fanatiek maar ik realiseer me dat ik voor de goede zaak vecht. De zaak van goed tegen slecht en ik wil mijn leven daarvoor geven als we maar overwinnen. Ik ben niet dapper maar diep in mij weet ik dat ik niet bang hoef te zijn als mijn tijd is gekomen. Het zal waarschijnlijk snel voorbij zijn voordat ik er erg in heb.”

“Mam, ik ben geen brave Hendrik geweest…”

Lenny en zijn jongere broer Maurie (links).

Hij excuseert zich bij zijn moeder: “Mam, ik ben geen brave Hendrik geweest, niet het toonbeeld van de oppassende zoon maar ik heb verleidingen weerstaan en heb een leven geleid zoals al mijn kameraden en heb geprobeerd om mijn leven zin te geven.”

“Ik weet dat jullie je bedroefd zullen voelen maar ik verzoek jullie om je tranen te drogen. Ik heb kameraden zien sterven, goeie kameraden die hun leven gaven, die hun kans grepen maar verloren. Dus treur niet om mij, dat doet me geen goed. Bid voor mijn ziel en sla een heilig kruisje in de kerk ter herinnering aan mij. Meer vraag ik niet. En ik weet zeker dat jullie mijn wens zullen opvolgen.”

Hij eindigt zijn brief met een afscheidsgroet: 

“All I can say in finishing is goodbye to you all and I will be watching over you.”

Len

De eremedailles die de familie koestert met de foto van Lenny Calderwood.